Media:Tijd in kaart

11 / 11

Over Media:Tijd

Auteurs: Annemarie Wennekers, Jos de Haan en Frank Huysmans

Achtergrond

Media:Tijd is een tijdsbestedingsonderzoek dat op innovatieve en gedetailleerde wijze het mediagebruik in Nederland in kaart brengt. Het onderzoek is een samenwerking tussen het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) en andere onderzoeksorganisaties op het gebied van media: Nationaal Luister Onderzoek (NLO), Nationaal Onderzoek Multimedia (NOM), Stichting Kijk Onderzoek (SKO). De eerste meting was in 2013 (zie Sonck en de Haan 2015 voor een uitgebreide omschrijving van 2013), de tweede in 2015 (in samenwerking met NLO, NOM, SKO en BRO. Onderzoeksbureau Gfk voerde het veldwerk van beide metingen uit. Om veranderingen in mediagebruik te kunnen volgen, willen de partijen het onderzoek elke 2 jaar te herhalen.

Andere tijdsbestedings- en mediabereiksonderzoeken

Media:Tijd bestaat naast het reguliere tijdsbestedingsonderzoek (TBO) van het SCP. Met het TBO meet het SCP al sinds 1975 elke 5 jaar tijdsbesteding. Het TBO blijft dan ook de eerste bron voor trends in algemene tijdsbesteding. In het veranderende medialandschap levert het TBO echter te weinig details over het brede spectrum aan mediagebruik in Nederland. Media:Tijd biedt deze details wel. Voor het precieze gedrag per medium blijven de afzonderlijke mediabereiksonderzoeken van NLO, NOM en SKO de aangewezen bron. Deze zijn immers nog specifieker en nauwkeuriger.

In het Media:Tijd-onderzoek wordt onder 'media' verstaan: oude en nieuwe media, online en offline media, vaste en mobiele media, en media voor zowel persoonlijke als massacommunicatie. Om de complexiteit van het mediagebruik in kaart te brengen stelt het onderzoek apart vragen over activiteiten (lezen, luisteren, kijken, communiceren, gamen, internetten en computeren), dragers (vaste en mobiele apparaten, maar ook papier) en content (de inhoud die respondenten raadplegen, zoals televisieprogramma’s of krantentitels). Door deze ontkoppeling van activiteiten, dragers en content ontstaat een scala aan combinaties om te analyseren en te beschrijven. Een brochure met de eerste uitkomsten van Media:Tijd 2015 kwam in maart 2016 uit (Wennekers et al. 2016).

Onderzoeksmethode

Media:Tijd bestaat uit een dagboek en een basisvragenlijst. In het dagboek vullen respondenten volgens gesloten codelijsten per tijdsintervallen van 10 minuten  in welke activiteiten ze gedurende een dag  doen. Via de vragenlijst geven ze informatie over hun sociaal-demografische achtergrond en hun mediabezit. Ook beantwoorden ze enkele opinievragen.

Respondenten houden in het dagboek algemene activiteiten (bekijk de codelijsten voor de algemene activiteiten) bij – zoals slapen, eten en werken –, maar de nadruk ligt op mediagebruik. Per tijdsinterval van 10 minuten kunnen respondenten 1 algemene activiteit invullen en maximaal 3 verschillende media-activiteiten (bekijk de codelijsten voor de media-activiteiten), mits ze daar minimaal 5 minuten aan hebben besteed. De volgorde waarin ze de 3 media-activiteiten registreren is niet van belang. Het uitgangspunt is immers dat media vooral naast elkaar worden gebruikt zonder onderscheid tussen duidelijke hoofd- en nevenactiviteit. Respondenten wordt expliciet gevraagd om al het mediagebruik op een dag in te vullen, ook wanneer het tijdens het werk plaatsvond. 

Voor elke media-activiteit geven respondenten aan welke activiteit het precies was en welke drager of apparaat ze gebruikten. Voor een aantal media-activiteiten is ook de content uitgevraagd.

Wijzigingen in het dagboek tussen 2013 en 2015

Onder overig internetgebruik vallen online winkelen en bankieren, zoeken van informatie en overig website- of appbezoek. In 2013 viel onder overig internetgebruik ook nog het invullen van het online dagboek. In 2015 was dit een code bij de algemene activiteiten (invullen dagboek, in de categorie overig). Onder overig computergebruik vallen in 2015 het gebruik en de installatie van software (denk aan Word/Office, fotobewerkingsprogramma’s). In 2013 viel hieronder ook nog het op de computer (offline) bijhouden van administratie, maar dat is in 2015 verplaatst naar de algemene activiteiten (in de categorie huishouden, waaronder ook het bijhouden van de papieren administratie valt).

Media-activiteiten die korter dan 5 minuten duren vallen buiten het bereik van het mediadagboek. Om dit ‘onzichtbare’ mediagebruik toch te meten, gaven respondenten aan het einde van elke dag aan hoe vaak media-activiteiten korter dan 5 minuten plaatsvonden (bellen, berichten uitwisselen, e-mailen, sociale media en nieuwssites of -apps bekijken).

Steekproef en veldwerk

Gfk rondde het veldwerk van de tweede meting van Media:Tijd eind oktober 2015 af. Het onderzoek vond plaats in een periode van 4 weken, waarbinnen geen schoolvakanties of officiële feestdagen voorkwamen. De respondenten waren personen van 13 jaar en ouder in particuliere huishoudens in Nederland. In totaal omvatte de steekproef 2953 respondenten. Na opschoning van de data bleven 2904 respondenten over voor de analyses.  De respondenten werden – als herbenadering van het continu printbereiksonderzoek van NOM – uit een adressenbestand (postafgiftepuntenbestand) geworven.  In totaal benaderde Gfk 12.100 respondenten met het verzoek om medewerking. 39% van de benaderde respondenten zegde toe aan het onderzoek te willen meewerken en 94% van deze toezeggers vulde vervolgens de vragenlijst in. 66% van de toezeggers vulde uiteindelijk ook minstens 4 dagen het dagboek in. Voor de representativiteit van de gegevens wordt gewogen op leeftijd, geslacht, regio, opleiding en internettoegang. 

Omdat het onderzoek veel van respondenten vraagt, werd bij de werving een beloning van maximaal 30 euro in het vooruitzicht gesteld.

Respondenten konden kiezen voor online- of offlinedeelname. Bij offline-deelname houdt een respondent de gegevens schriftelijk bij in een papieren dagboek. Hierover wordt hij dagelijks telefonisch geïnterviewd. Onlinerespondenten kunnen naast het papieren dagboek voor aantekeningen hun activiteiten ook op hoofdlijnen invullen via de smartphone. Deze gegevens worden dan weer in het onlinedagboek ingeladen. De smartphone heeft dus een ondersteunende functie, het onlinedagboek blijft de basis. Uiteindelijk vulde 91% van de respondenten het onderzoek online in en is 9% telefonisch bevraagd.

Voorafgaand aan de eerste invuldag kregen de respondenten een herinnering via mail en/of sms, afhankelijk van hun voorkeurscontactmethode. Respondenten werden gevraagd het dagboek 7 dagen bij te houden, met een minimum van 4 dagen. In principe vulden ze aaneengesloten dagen in, maar bij uitzondering konden ze een dag ‘inhalen’ op dezelfde dag in de volgende week. Net als in 2013 begon in 2015 bijna 93% van de respondenten op de toegewezen startdatum.

Korte leeswijzer bij de kaarten en figuren

De tijden (uren:minuten) in de kaarten en figuren zijn gemiddelden, naar beneden afgerond. Er zijn twee tijdsaanduidingen: ‘tijd bevolking’ en ‘tijd deelnemers’. ’Tijd bevolking’ is de tijd besteed aan media-activiteiten gemiddeld over alle Nederlanders ouder dan 13 jaar. Dat is dus inclusief degenen die geen tijd aan de betreffende media-activiteit besteden. ’Tijd deelnemers’ is de tijd besteed aan media-activiteiten gemiddeld over de deelnemers aan deze media-activiteiten. Dat is dus het deel van de bevolking dat tijd besteed aan de betreffende media-activiteit.

De kaarten rapporteren de uitkomsten over een ‘doorsneedag’: gemiddeld over alle dagen van de week (maandag tot en met zondag).

Literatuur

Eurostat (2009). Harmonised European time use surveys. 2008 guidelines. Luxemburg: Office for Official Publications of the European Communities.

Sonck, N. en J. de Haan (2015). Media:Tijd in beeld. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Wennekers, A.M., D.M.M. van Troost en P.R. Wiegman (2016). Media:Tijd 2015. Amsterdam/Den Haag: NLO, NOM, SKO, BRO en SCP.

Deze kaart citeren

Wennekers, A.M., J. de Haan en F. Huysmans (2016). Over Media:Tijd. In: Media:Tijd in kaart. Geraadpleegd op [datum vandaag] via https://digitaal.scp.nl/mediatijd/over_mediatijd.

Informatie noten

Dit is de geldende Europese HETUS-richtlijn voor tijdsbestedingsonderzoek; Eurostat 2009.

Volgens de HETUS-richtlijn loopt een dag van 4 uur ’s nachts tot 4 uur de volgende nacht loopt.

In 2013 waren over het mediagebruik tijdens werk geen expliciete instructies verstrekt. In de meting 2013 kan het dus voorkomen dat sommige respondenten mediagebruik voor werkdoeleinden wel hebben geregistreerd en andere respondenten niet.

In 2013 bestond de totale steekproef uit 2989 respondenten en de opgeschoonde steekproef voor analyses uit 2947 respondenten.

Omdat ten opzichte van 2013 de steekproef van het NOM-onderzoek kleiner was, kon uit deze groep niet het gewenste aantal respondenten voor Media:Tijd worden geworven. Aanvullend is daarom een deel van de respondenten van de vorige Media:Tijd-meting benaderd.

Betrouwbare weging op etnische herkomst is met deze steekproef niet mogelijk.