Media:Tijd in kaart

2 / 11

Bezit van media-apparaten

Auteurs: Annemarie Wennekers, Jos de Haan en Frank Huysmans

In het afgelopen decennium kwamen er veel nieuwe apparaten en gadgets bij die het gebruik van media en communicatie nog sneller en makkelijker maken. Door de sterke opmars van mobiele apparaten en draadloze internetverbindingen is de toegang tot verschillende media groter dan voorheen. Ook is het mediagebruik minder tijd- en plaatsgebonden dan enkele decennia terug. Het feit dat nieuwe mediatechnologie bestaat wil echter nog niet zeggen dat mensen deze massaal zullen aanschaffen en gebruiken. Welke ontwikkelingen vonden de afgelopen jaren plaats in het bezit van apparaten voor mediagebruik? 

Mediabezit- en gebruik sluiten aan bij behoeften van mensen

De wetenschappelijke literatuur gaat ervanuit dat media bij een behoefte van mensen moeten aansluiten om tot gebruik te leiden. Gibson introduceerde in 1977 de term affordances om duiding te geven aan de complexe wisselwerking tussen mens en omgeving. Vanaf de jaren ’90 van de vorige eeuw werd de term aan technologie gelinkt en onder andere gebruikt om interacties tussen mens en computer te beschrijven. In deze eeuw is al veel geschreven over affordances en (nieuwe) media. Kort gezegd moet het gebruik van nieuwe media mensen iets opleveren. Ook moet het aansluiten bij bestaande manieren van informeren, communiceren en ontspannen (Hutchby 2001; Wellman et al. 2003; Bloomfield et al. 2010). Dit past ook bij de uitgangspunten van de communicatiewetenschappelijke uses and gratifications theorie. Namelijk dat de wensen en behoeften van mensen centraal staan in de verklaring waarom ze op een bepaald moment bepaalde media gebruiken (zie voor een beschrijving McQuail 1994; Ruggiero 2000).

Welke media-apparaten bezitten Nederlanders?

Het Media:Tijd-onderzoek laat een opmars van smartphones en tablets zien. Het aandeel van de bevolking dat een smartphone bezit steeg tussen 2013 en 2015 van 61% naar 76%. De groep Nederlanders met een tablet groeide van 48% naar 61%. De smartphone heeft de stereo-installatie/radio uit de top 3 van bezit van media-apparaten verstoten. Die top 3 werd in 2013 nog gedomineerd door ‘klassieke’ apparaten: televisie (96%), vaste telefoon (76%) en stereo-installatie/radio (75%). De smartphone deelt in 2015 de tweede plaats nog wel met de vaste telefoon. Het televisietoestel blijft met stip op 1 staan. De desktop computer en mobiele telefoon zonder internettoegang verliezen snel terrein.

Trends in mediabezit

Het Centraal Bureau voor de Statistiek vindt vergelijkbare trends (CBS 2016) en ook onderzoeksbureau GfK signaleert een explosieve stijging in het bezit van smartphones en tablets. In hun onderzoekpanel (personen vanaf 13 jaar) groeide de groep tabletgebruikers van 6% in 2011 naar 44% in 2013 en 65% in 2015. Het aandeel Nederlanders met een smartphone steeg van 39% in 2011 naar 65% in 2013 en 80% in 2015 (GfK 2015a). De groei lijkt wel te stagneren: het bezit van smartphones en tablets bleef gelijk tussen juni en december 2015 (GfK 2015b).

Bezit media-apparaten

2015 2013
televisie 95% 96%
smartphone 76%* 62%*
vaste telefoon 76% 76%
laptop of netbook 73% 72%
stereo-installatie/radio 71%* 75%*
tablet 61%* 48%*
video-, dvd, blu ray, of harddiskrecorder 59%* 68%*
digitale televisie decoder/ontvanger (set top box) 50%* 53%*
desktop computer (personal computer, ook iMac) 45%* 59%*
televisie met directe internettoegang (smart TV) 39%* 14%*
spelcomputer (bijv. Xbox, Playstation, Wii, PSP) 33% 36%
mediaspeler (bijv. iPod, mp3-speler) 30%* 34%*
mobiele telefoon zonder internettoegang 24%* 44%*
e-reader 20%* 15%*
mediacenter of dongle voor op de TV (bijv. Apple TV, Android TV, Xtreamer en Raspberry Pi) 12%* 7%*
wearables (bijv. smart watch, Google glass) 1% .
Bezit media-apparaten

↑ / ↓= stijging/daling ten opzichte van 2013 significant (p < .05).

= informatie niet gemeten.

Bron:NLO/NOM/SCP/SKO (Media:Tijd TBO ’13) en NLO/NOM/SKO/BRO/SCP (Media:Tijd TBO ’15)

Verspreiding van smartphones en tablets

De opmars van smartphones en tablets is niet onder alle bevolkingsgroepen even groot. Er zijn flinke leeftijds- en opleidingsverschillen. In de jongste leeftijdsgroepen (13 tot 19 jaar en 20 tot 34 jaar) heeft bijna iedereen (96%) een smartphone. Van de 65-plussers bezit een minderheid (36%) dit apparaat. Meer hoogopgeleiden (86%) hebben een smartphone dan midden- (79%) en laagopgeleiden (57%). In de leeftijdsgroep 35 tot 49 jaar hebben bovengemiddeld veel mensen een tablet: 72%. Van de Nederlanders van 65 jaar en ouder bezit slechts 45% dit apparaat. Ook het aandeel laagopgeleiden met een tablet (51%) ligt onder het bevolkingsgemiddelde van 61%.

Bezit smartphone en tablet

smartphone tablet
totaal 76%* 61%*
geslacht
man 78%* 63%*
vrouw 74%* 59%*
leeftijd
13-19 jaar 96%* 60%
20-34 jaar 96%* 62%*
35-49 jaar 87%* 72%*
50-64 jaar 70%* 63%*
≥ 65 jaar 36%* 45%*
opleiding
laag 57%* 51%*
midden 79%* 63%*
hoog 86%* 66%*
Bezit smartphone en tablet

↑ / ↓= stijging/daling ten opzichte van 2013 significant (p < .05).

*= verschil naar achtergrondkenmerk in 2015 significant (p < .05).

Bron:NLO/NOM/SCP/SKO (Media:Tijd TBO ’13) en NLO/NOM/SKO/BRO/SCP (Media:Tijd TBO ’15)

Deze verschillen tussen bevolkingsgroepen in het bezit van nieuwe (mobiele) mediatechnologie passen bij de idee dat de sociale verspreiding van nieuwe technologie – ook 'diffusie van innovaties' genoemd (Rogers 2003) – een proces is dat altijd enige jaren in beslag neemt. Niet iedereen is geneigd de nieuwste snufjes meteen te omarmen. Vanwege de prijs, die in het begin vaak behoorlijk hoog is, maar ook omdat het niet makkelijk afscheid nemen is van bestaande patronen van mediagebruik en communicatie. Na een voorzichtig begin – waarin een kleine groep van innovators en early adopters informatie en meningen over gebruikservaringen begint te delen – begint de verspreiding te versnellen. Als de meerderheid overstag is, vertraagt het verspreidingsproces vaak weer (Rogers 2003; Huysmans en De Haan 2010)‍. 

Welke mediatechnologieën raken wijdverspreid?

Lang niet alle nieuwe mediatechnologieën en zeker niet alle software bereiken de (nagenoeg) universele verspreiding van bijvoorbeeld televisie of internet. Van de factoren die hierop van invloed zijn is het relatieve voordeel misschien wel het belangrijkst: brengt het nieuwe apparaat nu echt veel meer mogelijkheden en/of kwaliteit dan de apparatuur die we al hadden? Ook komt het voor dat een innovatie al wordt ingehaald door iets nieuws en beters voor ze goed en wel op de markt is. Zo lijkt de verspreiding van de desktopcomputer te zijn geremd door de opkomst van de laptop, die op zijn beurt weer concurrentie kreeg van de tablet.

Hoeveel media-apparaten bezitten Nederlanders?

Media:Tijd bevat vragen over het bezit van 16 apparaten. Gemiddeld bezit de Nederlander 7 van deze 16 verschillende apparaten. Minder dan 1% bezit geen of 1 van deze apparaten. Geen van de deelnemers bezit alle 16 apparaten. Een kwart van de Nederlanders bezit een paar apparaten (0 t/m 5). 28% van de Nederlanders bezit 6 of 7 verschillende apparaten en 27%  heeft er 8 of 9. Een vijfde van de bevolking bezit  tussen de 10 en 15 verschillende apparaten.

Mannen bezitten meer verschillende media-apparaten dan vrouwen. Ook zijn er verschillen op basis van leeftijd. Bijna een derde van de tieners bezit maximaal 5 apparaten, meer dan de helft van deze groep heeft 8 of meer apparaten. Het is goed mogelijk dat tieners bij de vraag naar bezit hun eigen media-apparaten hebben opgegeven én de andere apparaten die in hun huishouden aanwezig zijn. De groep 35-49-jarigen bezit een omvangrijk arsenaal aan media-apparaten. Hier kan net als bij de tieners meespelen dat ze naast persoonlijk bezit ook de apparaten hebben opgegeven die in hun huishouden aanwezig zijn. Het mediabezit van 65-plussers is het minst uitgebreid. Laagopgeleiden bezitten beduidend minder media-apparaten dan andere opleidingsgroepen. Dat hangt waarschijnlijk samen met hun gemiddeld lagere inkomen en welstand. 

Bezit aantal media-apparaten

0 t/m 5 6 t/m 7 8 t/m 9 10 t/m 15
totaal 25%* 28% 27% 20%*
geslacht
man 20% 27% 29% 24%
vrouw 30%* 29% 26% 16%
leeftijd
13-19 jaar 30%* 18% 26% 26%*
20-34 jaar 27% 25% 29% 19%
35-49 jaar 18%* 26% 27% 29%
50-64 jaar 21% 30% 30% 19%
≥ 65 jaar 34% 37% 24% 6%
opleiding
laag 39% 28% 20% 14%
midden 22%* 28% 30% 21%*
hoog 20% 28% 30% 23%
Bezit aantal media-apparaten Bezit aantal media-apparaten Bezit aantal media-apparaten Bezit aantal media-apparaten

↑ / ↓= stijging/daling ten opzichte van 2013 significant (p < .05).

*= verschil naar achtergrondkenmerk in 2015 significant (p < .05).

Bron:NLO/NOM/SCP/SKO (Media:Tijd TBO ’13) en NLO/NOM/SKO/BRO/SCP (Media:Tijd TBO ’15)

Een opvallende verschuiving tussen 2013 en 2015 is de toename van het aandeel van de bevolking dat maximaal 5 apparaten bezit en een afname in het bezit van 10 of meer apparaten. Deze trend is vooral onder tieners zichtbaar. In 2015 was het aandeel tieners in het bezit van maximaal 5 apparaten ruim verdubbeld ten opzichte van 2013 (van 14% naar 30%). Tegelijkertijd nam het aandeel met 10 of meer apparaten sterk af (van 44% naar 26%). Het kan zijn dat multifunctionele apparaten als de smartphone het bezit van andere apparaten gaandeweg overbodig maken. 

Literatuur

Bloomfield, B.P., Y. Latham en T. Vurdubakis (2010). Bodies, technologies and action possibilities. When is an affordance? In: Sociology, jg. 44, nr. 3, p. 415-433.

CBS (2016). ICT, kennis en economie 2016. Den Haag: CBS. Geraadpleegd op 26 oktober 2016 via https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2016/26/ict-kennis-en-economie-2016.

GfK (2015a). Trends in Digitale Media. Intomart GfK. Geraadpleegd op 24 september 2016 via http://www.gfk.com/nl/insights/press-release/bijna-alle-jongeren-bezitten-een-smartphone.

GfK (2015b). Trends in Digitale Media. Intomart GfK. Geraadpleegd op 24 september 2016 via http://www.gfk.com/nl/insights/press-release/geen-groei-meer-in-bezit-mobiele-devices.

Gibson, J. J. (1977). The Theory of Affordances. In: R. Shaw en J. Bransford, Perceiving, Acting, and Knowing; Toward an Ecological Psychology (p. 67-82). Hillsdale (NJ): Lawrence Erlbaum Associates.

Hutchby, I. (2001). Technologies, texts and affordances. In: Sociology, jg. 35, nr. 2, p. 441-456.

Huysmans, F. en J. de Haan (2010). Alle kanalen staan open. De digitalisering van mediagebruik. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

McQuail, D. (1994). Mass Communication: An Introduction (3rd edition). London/Thousand Oaks/ New Delhi: Sage Publications.

Rogers, E.M. (2003). Diffusion of innovations (fifth edition). New York: Free Press.

Ruggiero, T. (2000). Uses and gratification theory in the 21st century. In: Mass Communication & Society, jg. 3, nr. 1, p. 3-37.

Wellman, B., A. Quan-Haase, J. Boase, W. Chen, K. Hampton, I. Díaz, K. Miyata (2003). The Social Affordances of the Internet for Networked Individualism. In: Journal of Computer Mediated Communications, jg. 8, nr. 3.

Deze kaart citeren

Wennekers, A.M., J. de Haan en F. Huysmans (2016). Bezit van media-apparaten. In: Media:Tijd in kaart. Geraadpleegd op [datum vandaag] via https://digitaal.scp.nl/mediatijd/bezit_van_media-apparaten.

Informatie noten

De volgende kaart 'Gebruik van media-apparaten' gaat verder in op het gebruik.

Voor een uitgebreide beschrijving van deze diffusietheorie, zie: http://www.nemokennislink.nl/publicaties/gammacanon-40-diffusie.

De bijna universele verspreiding van (digitale) televisie en internettoegang wijst er in principe op dat de lage inkomensgroepen hierin geen maatschappelijke achterstand hebben. Deze groepen hebben echter wel een beperkte achterstand in het bezit van smartphones en tablets en het aantal apparaten waarover ze beschikken.