Trends in Media:Tijd

9 / 9

Over Media:Tijd

Auteurs: Annemarie Wennekers, Joep Schaper en Jos de Haan

Achtergrond

Media:Tijd is een tijdsbestedingsonderzoek waarmee mediagebruik in de volle breedte en op gedetailleerde wijze wordt gemeten. In het Media:Tijd-onderzoek wordt onder ‘media’ verstaan: oude en nieuwe media, online en offline media, vaste en mobiele media, en media voor zowel persoonlijke als massacommunicatie. Om de complexiteit van het mediagebruik in kaart te brengen, stelt het onderzoek afzonderlijke vragen over activiteiten (kijken, luisteren, lezen, communiceren, gamen, internetten en computeren), dragers (vaste en mobiele apparaten, maar ook papier) en content (de inhoud die respondenten tot zich nemen, zoals televisieprogramma’s of krantenartikelen). Door deze ontkoppeling van activiteiten, dragers en content ontstaat een scala aan combinaties om te analyseren en te beschrijven. In deze publicatie staan de gegevens van 2018 centraal, maar besteden we ook extra aandacht aan ontwikkelingen over de tijd, op basis van vergelijkingen met de twee eerdere metingen van Media:Tijd uit 2013 en 2015.

Het Media:Tijd-onderzoek is een samenwerking van het Sociaal en Cultureel Planbureau en onderzoeksorganisaties op het gebied van media, namelijk Nationaal Luister Onderzoek (NLO), Nationaal Onderzoek Multimedia (NOM) en Stichting KijkOnderzoek (SKO). In 2018 heeft ook het Platform Media-adviesbureaus (PMA) meegedaan. Aan de begeleiding van het onderzoek leverde de afdeling Publieksonderzoek van de Nederlandse Publieke Omroep (NPO) ook een bijdrage. Onderzoeksbureau Gfk voerde het veldwerk van alle drie de metingen uit.

Onderzoeksmethode

Media:Tijd bestaat uit een dagboek en een basisvragenlijst. In het dagboek noteren respondenten volgens gesloten codelijsten per tijdsintervallen van 10 minuten welke activiteiten ze gedurende een dag doen. Via de vragenlijst geven ze informatie over hun sociaal-demografische achtergrond en hun mediabezit. Ook beantwoorden ze enkele opinievragen.

Respondenten houden in het dagboek algemene activiteiten bij – zoals slapen, eten en werken –, maar de nadruk ligt op mediagebruik. Per tijdsinterval van 10 minuten kunnen respondenten 1 algemene activiteit invullen en maximaal 3 verschillende media-activiteiten, mits ze daar minimaal 5 minuten aan hebben besteed. De volgorde waarin ze de 3 media-activiteiten registreren, is niet van belang. Het uitgangspunt is immers dat media vaak naast elkaar worden gebruikt zonder onderscheid tussen duidelijke hoofd- en nevenactiviteit. Respondenten wordt expliciet gevraagd om al het mediagebruik op een dag in te vullen, ook wanneer het tijdens het werk plaatsvond.

Voor elke media-activiteit geven respondenten aan wat de activiteit precies was en welke drager of wat voor apparaat ze gebruikten. Voor een aantal media-activiteiten is ook naar de content gevraagd.

Wijzigingen in het dagboek tussen de verschillende metingen

In de dagboekcodes voor media-activiteiten zijn alleen tussen de metingen van 2013 en 2015 enkele wijzigingen doorgevoerd. De codes in 2018 waren gelijk aan die in 2015. Wel kregen de codelijsten elke editie een update in voorbeelden en keywords.

De verschillen tussen 2013 en 2015/2018 betreffen:

  • De gecombineerde code uit 2013 voor ‘sociale media en internetforums’ is in 2015 en 2018 opgesplitst in twee aparte codes; een code voor ‘sociale media’ en een code voor ‘bloggen en internetfora’.
  • Voor het invullen van het Media:Tijd-dagboek waren er in 2013 twee codes (een bij algemene activiteiten (‘overig’) en een bij media-activiteiten (‘internet overig’)). Die laatste code is na 2013 verwijderd, zodat er in 2015 en 2018 alleen nog maar de code ‘overig’ bij algemene activiteiten was.
  • In 2015 en 2018 is binnen de categorie ‘media overig’ de code voor ‘administratie bijhouden op de computer’ verwijderd (en verplaatst naar algemene activiteiten). Ook is in 2015 en 2018 explicieter gevraagd het mediagebruik voor werkdoeleinden te noteren, wat ten opzichte van 2013 vooral invloed kan hebben op overig computergebruik en dus op ‘overig media’.

Door deze wijzigingen kunnen de gegevens van 2015 en 2018 niet altijd een-op-een worden vergeleken met 2013. In deze publicatie wordt aangegeven op welke punten deze vergelijkingen niet mogelijk zijn.

Steekproef en veldwerk 2018

Het veldwerk van het onderzoek vond plaats tussen eind augustus en half oktober 2018. De respondenten waren personen van 13 jaar en ouder in particuliere huishoudens in Nederland. In totaal omvatte de steekproef 2713 respondenten. Na opschoning van de data bleven er 2655 respondenten over voor de analyses.

De respondenten werden geworven als herbenadering van het continu printbereiksonderzoek van het NOM (NOM Print Monitor; NPM), een onderzoek dat gebruikmaakt van een vers adressenbestand (postafgiftepuntenbestand). Alleen respondenten uit de verse NPM-steekproef tussen de tweede helft van 2015 en begin september 2018 werden benaderd voor Media:Tijd. Naast respondenten uit de afgelopen veldwerkperioden van NPM zijn ook respondenten benaderd die hebben meegewerkt aan de vorige meting van Media:Tijd in 2015. Deze keuze is gemaakt om ook deze keer over voldoende respondenten te kunnen rapporteren. Respondenten die in de vorige editie van Media:Tijd zijn herbenaderd uit de steekproef van 2013 zijn uitgesloten. Hierdoor kunnen respondenten dus maximaal twee keer hebben deelgenomen aan Media:Tijd (in 2013 en 2015, óf in 2015 en 2018).

In totaal benaderde Gfk 11.267 respondenten met het verzoek om medewerking. Afhankelijk van welke informatie van de respondenten bekend was, zijn zij per e-mail, telefonisch en/of per brief benaderd. Van de benaderde respondenten zegde 40% toe aan het onderzoek te willen meewerken en 94% van deze mensen vulde vervolgens de vragenlijst in. Respondenten is vervolgens gevraagd om het dagboek gedurende 7 dagen in te vullen; 97% van de respondenten heeft dit gedaan en 3% heeft het dagboek 4, 5 of 6 dagen bijgehouden. Respondenten die minder dagen hebben ingevuld, zijn niet opgenomen in de rapportage. Van de deelnemers vulde 64% uiteindelijk ook minstens 4 dagen het dagboek in. Voor de representativiteit van de gegevens wordt gewogen op leeftijd, geslacht, regio, opleiding en internettoegang. De weegnormen zijn afkomstig uit de MOA Gouden Standaard 2017 (met betrekking tot geslacht, leeftijd, regio en opleiding) en MSS 2017 (internettoegang).

Omdat het onderzoek veel van respondenten vraagt, werd bij de werving een beloning van maximaal 30 euro in het vooruitzicht gesteld.

Respondenten konden kiezen voor online of offline deelname. Bij offline deelname houdt een respondent de gegevens schriftelijk bij in een papieren dagboek. Hierover wordt hij dagelijks telefonisch geïnterviewd. Onlinerespondenten kunnen naast het papieren dagboek voor aantekeningen hun activiteiten ook op hoofdlijnen invullen via de smartphone. Deze gegevens worden later naar het onlinedagboek overgeheveld. De smartphone heeft dus een ondersteunende functie; het onlinedagboek blijft de basis. Uiteindelijk vulde 94% van de respondenten het onderzoek online in en is 6% telefonisch ondervraagd.

Voorafgaand aan de eerste invuldag kregen de respondenten een herinnering via e-mail en/of sms, afhankelijk van hun voorkeurscontactmethode. Respondenten werden gevraagd het dagboek 7 dagen bij te houden, met een minimum van 4 dagen. In principe vulden ze aaneengesloten dagen in, maar bij uitzondering konden ze een dag ‘inhalen’ op dezelfde dag in de volgende week. Net als in 2013 begon in 2015 bijna 93% van de respondenten op de toegewezen startdatum.

Korte leeswijzer

De weergegeven tijden (uren:minuten) zijn gemiddelden, en naar beneden afgerond. De gerapporteerde ‘tijd bevolking’ is de tijd die is besteed aan media-activiteiten gemiddeld over alle Nederlanders ouder dan 13 jaar. Dat is dus inclusief degenen die geen tijd aan de betreffende media-activiteit besteden. Naast de tijdsaanduiding van de gemiddelde tijd van de totale bevolking is door met de muis over de figuren te gaan ook het aandeel van de bevolking dat de activiteit uitvoert en de ‘tijd deelnemers’ te zien. ‘Tijd deelnemers’ is de tijd die is besteed aan media-activiteiten gemiddeld over de deelnemers aan deze media-activiteiten. Dat is dus het deel van de bevolking dat tijd besteed aan de betreffende media-activiteit. Hier rapporteren we de uitkomsten over een ‘doorsnee dag’: gemiddeld over alle dagen van de week (maandag tot en met zondag).

Meer lezen?

Over de verschillende edities van Media:Tijd zijn brochures verschenen met eerste uitkomsten. Zie Sonck et al. (2014) voor de brochure over de gegevens van 2013, Wennekers et al. (2016) voor de brochure over de gegevens van 2015 en Waterloo et al. (2019) voor de brochure met de eerste uitkomsten van 2018.

Het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) heeft over de meting van 2013 verdere analyses gepubliceerd in Media:Tijd in beeld (Sonck en De Haan 2015) en over de gegevens van 2015 in Media:Tijd in kaart (Wennekers et al. 2016). Ook heeft het SCP de gegevens gebruikt voor thematische verdiepingen over nieuwsmediagebruik (Wennekers en De Haan 2017) en over lezen (Wennekers et al. 2018).

Deze kaart citeren

Wennekers, A.M., J.C. Schaper en J. de Haan (2019). Over Media:Tijd. In: Trends in Media:Tijd. Geraadpleegd op [datum vandaag] via https://digitaal.scp.nl/trends-in-mediatijd/over-mediatijd.

Informatie noten

Het is dus niet mogelijk om het verloop van het mediagebruik gedurende het kalenderjaar in beeld te brengen.