Trends in Media:Tijd

3 / 9

Media-apparaten

Auteurs: Joep Schaper, Annemarie Wennekers en Jos de Haan

Kijken, luisten en lezen kan men tegenwoordig op veel verschillende apparaten doen. Ook zijn de mogelijkheden voor communiceren via media toegenomen. Een aantal apparaten is de afgelopen decennia ontwikkeld om voor verschillende toepassingen gebruikt te kunnen worden. Denk hierbij aan computers, televisies met internetverbinding, smartphones en tablets, maar ook spelcomputers die muziek en YouTube-filmpjes kunnen afspelen. Apparaten die slechts voor één doel beschikbaar zijn, lijken misschien op het eerste gezicht geen toekomst te hebben, maar voor apparaten die hun specifieke doel goed dienen, bestaat ook een markt. De e-reader is hier een goed voorbeeld van. De figuur hierna geeft inzicht in deze ontwikkelingen door voor een aantal media-apparaten weer te geven hoeveel Nederlanders het apparaat in bezit hebben. Bezit is geen garantie voor gebruik, maar faciliteert het wel en biedt een indicatie voor de populariteit en verspreiding van apparaten.

Bezit media-apparaten, naar jaar

Bron:NLO/NOM/SKO/PMA/SCP (Media:Tijd TBO’18)

Ontbrekende jaren

Voor sommige apparaten hebben we niet voor alle drie de jaren gegevens. In 2013 maten we televisie zonder internettoegang niet apart en waren zogenoemde wearables en smartwatches nog niet wijdverspreid genoeg om te meten. Dat laatste geldt ook voor de audiostreamer in 2013 en 2015.

Het media-apparaat dat in het bezit is van de meeste Nederlanders is de televisie: 94% heeft een tv-toestel in huis. Toch is het opvallend dat het tv-bezit daalt, aangezien dit vanaf het begin van de televisie alleen maar gestegen is (Huysmans et al. 2004). Bij televisies is er ook een verschuiving in bezit te zien van televisies zonder internet naar televisies met een internetverbinding (SKO 2019). Tussen 2015 en 2018 heeft de televisie met internetverbinding de televisie zonder ingehaald. Dit gaat ook ten koste van de digitale tv-decoder. Ook de vaste telefoon verliest tussen 2015 en 2018 flink aan populariteit, hoewel toch nog ruim 65% van de mensen een vaste telefoon heeft. De smartphone is inmiddels in het bezit van bijna 90% van de mensen en nog maar 14% van de mensen heeft een mobiele telefoon zonder internetmogelijkheid. Laptops en notebooks winnen verder aan populariteit ten opzichte van desktopcomputers. Het bezit van spelcomputers blijft nagenoeg gelijk. Het bezit van audioapparatuur is gedaald, waarschijnlijk omdat speakers eenvoudig op een smartphone of laptop kunnen worden aangesloten, waardoor de functies van een stereo-installatie overbodig worden.

Bezit media-apparaten, naar achtergrondkenmerken

Bron:NLO/NOM/SKO/PMA/SCP (Media:Tijd TBO’18)

Tussen mannen en vrouwen bestaan voornamelijk zeer kleine verschillen in de media-apparatuur die ze bezitten. De enige duidelijke verschillen zijn dat mannen vaker een desktopcomputer en audioapparatuur bezitten dan vrouwen.

De figuur hierna toont de verschillen in het bezit van media-apparaten tussen leeftijdsgroepen. Een groep die hier opvalt, is die van 13-19-jarigen. Zij hebben vaker een dvd-speler, stereo-installatie en vaste telefoon dan de groep jongvolwassenen. Dit komt hoogstwaarschijnlijk doordat de groep tieners vaak nog thuis woont en daar vaak de apparaten staan die eerder worden geassocieerd met de oudere leeftijdsgroepen.

Ouderen beschikken vaker over een stereo-installatie, een vaste telefoon en een televisie zonder internet, terwijl de jongere leeftijdsgroepen vaker een laptop en smartphone bezitten. Het aandeel tieners en jongvolwassenen dat een smartphone heeft, is inmiddels zelfs groter dan het aandeel dat een televisie heeft. Tablets zijn opvallend vaak in het bezit van 35-49-jarigen. De tablet is een van de weinige apparaten waarvan het bezit niet toe- of afneemt over de leeftijdsgroepen. Het smartphonebezit van ouderen blijft logischerwijs achter op de jongere leeftijdsgroepen, maar tussen 2015 en 2018 is het voor de groep 50-64-jarigen en 65-plussers toegenomen.

Opleiding, leeftijd of inkomen?

In dit rapport laten we vaak verschillen in apparatenbezit en mediagebruik zien tussen mannen en vrouwen, leeftijdsgroepen, opleidingsgroepen en soms ook inkomensgroepen. Maar hoe duid je verschillen tussen groepen als die groepen overlap vertonen? Zo zijn ouderen in Nederland over het algemeen lageropgeleid dan jongere mensen en hebben lageropgeleiden gemiddeld een lager inkomen dan hogeropgeleiden. Om dit soort overlap van kenmerken het hoofd te bieden, hebben we de data multivariaat statistisch getoetst, waarbij we verschillende achtergrondkenmerken samen in het statistische model opnemen, zodat we het relatieve belang van de verschillende kenmerken kunnen toetsen. Dit betekent concreet dat wanneer we verschillen in apparatenbezit tussen inkomensniveaus onderzoeken, we controleren voor mogelijke verschillen in opleidingsniveau en andere kenmerken, en vice versa. Dit doen we voor alle vergelijkingen op basis van achtergrondkenmerken, zodat we alleen de verschillen rapporteren die er daadwerkelijk toe doen.

Sociale omgang

Kan mediagebruik samenhangen met sociale omgang? Een teruggang van de televisiebezit en de opkomst van kleinere schermen, zoals de smartphone, tablet en laptop, kan erop wijzen dat media individualiseren. Terwijl het tv-toestel een centrale plek in de woonkamer heeft, kan nu iedereen zijn eigen programma, film of internetvideo bekijken. Aan de andere kant is het met kleinere schermen wel mogelijk om in dezelfde ruimte individueel je favoriete programma te bekijken. Of al die schermen tot individualisering of tot een uitgehold gezinsleven leiden, is dus nog steeds een onbeantwoorde vraag.

Ten slotte verschilt het apparatenbezit op sommige punten flink tussen opleidingsgroepen. Deze verschillen tekenen zich bijvoorbeeld bij telefoons af. Lageropgeleide mensen bezitten vaker een vaste telefoon of een mobiele telefoon zonder internetverbinding, en minder vaak een smartphone. Van de lageropgeleiden heeft 70% een smartphone, tegenover 93% van de hogeropgeleiden. Ook bezitten lageropgeleiden minder vaak een computer, laptop of tablet. Deze verschillen zouden deels te verklaren kunnen zijn door het feit dat lageropgeleiden vaak ook een lager inkomen hebben en er meer laagopgeleiden onder ouderen zijn. Echter, de verschillen in media-apparatenbezit tussen verschillende opleidingsniveaus blijven overeind als we in onze statistische toetsen controleren voor inkomen en leeftijd. Het is belangrijk om de verschillen in het bezit van deze apparaten op basis van leeftijd en opleidingsniveau goed in kaart te brengen, omdat ze een steeds centralere rol in de samenleving spelen. Zo zijn veel (overheids)diensten gedigitaliseerd en wordt het bezit en de vaardigheden bij het gebruik van nieuwe media een belangrijke randvoorwaarde voor deelname aan de maatschappij.

Literatuur

Huysmans, F., J. de Haan en A. van den Broek (2004). Achter de schermen. Een kwart eeuw lezen, luisteren, kijken en internetten. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

SKO (2019). Trendrapport TV in Nederland 2018. Amsterdam: Stichting KijkOnderzoek.

Deze kaart citeren

Schaper, J.C., A.M. Wennekers en J. de Haan (2019). Media-apparaten. In: Trends in Media:Tijd. Geraadpleegd op [datum vandaag] via https://digitaal.scp.nl/trends-in-mediatijd/media-apparaten.

Informatie noten

Een kastje om digitaal televisie te ontvangen.