De sociale staat van Nederland 2020

7 / 12

Vrije tijd

Auteurs: Annemarie Wennekers en Ab van der Torre

De hoeveelheid vrije tijd van Nederlanders is al jaren stabiel. Hetzelfde geldt voor de verschillen tussen bevolkingsgroepen in de omvang van hun vrije tijd en in hoeverre zij ervaren voldoende vrije tijd te hebben. Mediagebruik beslaat een groot deel van onze vrije tijd. De precieze invulling ervan verandert wel: nieuwe media (zoals sociale media en platforms om films en series te kijken of muziek te streamen) groeien in populariteit en worden vooral veel door jongeren en hogeropgeleiden gebruikt. De vrije tijd wordt verder ingevuld door recreatie en ontspanning, waaronder sport en cultuur (bezoek en beoefening) en sociale contacten. Hieronder bespreken we voor deze terreinen de belangrijkste trends. De gegevens beslaan - afhankelijk van het onderwerp - de periode 2008-2016/2019. Aan het eind van deze kaart bekijken we de gevolgen van de coronacrisis.

Hoeveelheid vrije tijd is stabiel en voor veel Nederlanders (70%) voldoende

In de vorige editie van De sociale staat van Nederland gingen we uitgebreid in op de totale omvang van de vrije tijd (zie Wennekers et al. 2019). Sindsdien zijn er geen nieuwe gegevens beschikbaar gekomen, dus we beschrijven hier kort deze eerdere bevindingen. De omvang van de vrije tijd was in 2016 bijna 44 uur in de week en is al jaren vrij stabiel. Ook de verdeling van de vrije tijd over verschillende typen vrijetijdsactiviteiten is stabiel. Aan mediagebruik besteedden we zo’n 19,6 uur in 2016, aan recreatieve activiteiten en ontspanning 14,3 uur, aan sociale contacten 8,2 uur en aan vrijwilligerswerk en bijeenkomsten 1,7 uur (zie verder de pagina Maatschappelijke en politieke participatie).

In 2016 gaf 70% van de Nederlanders van 18 jaar en ouder aan voldoende vrije tijd te hebben. In 2011 was dit met 72% niet heel anders. Deze waardering hangt samen met de hoeveelheid beschikbare vrije tijd in een week.

Het meten van tijdsbesteding via de dagboekmethode

Voor de algemene tijdsbesteding van Nederlanders hebben we beschikking over het Tijdsbestedingsonderzoek (TBO) dat het SCP sinds de jaren zeventig elke 5 jaar uitvoert. De precieze methode is over de jaren wat veranderd, maar sinds 2006 geven mensen een week lang elke 10 minuten in een dagboek aan wat zij op dat moment doen (hoofdactiviteit), of ze daarnaast nog iets doen (nevenactiviteiten), waar ze zijn en wie er nog meer aanwezig is. Deze dagboekdata geven veel inzicht in wie wat wanneer doet (en waar en met wie).
Om mediagebruik (inclusief communicatie via internet of telefoon) zo nauwkeurig mogelijk in kaart te brengen, heeft het SCP 3 metingen (in 2013, 2015 en 2018) van een media-tijdsbestedingsonderzoek uitgevoerd (Media:Tijd), samen met verschillende onderzoeksorganisaties op het gebied van media. In Media:Tijd geven respondenten in een dagboek per tijdvak van 10 minuten aan wat ze doen aan algemene activiteiten (zoals eten, huishouden, onderweg zijn, of mediagebruik) en wat ze daarnaast aan media-activiteiten (maximaal 3) doen (waarbij ze aangeven wat ze precies doen en via welke drager, zoals papier of een specifiek media-apparaat). Zo kan ook het gelijktijdige gebruik van media en het gebruik van media naast andere activiteiten (multitasking) onderzocht kan worden (zie Wennekers et al. 2017 voor meer informatie over het onderzoek).
Het voordeel van de dagboekmethode is dat de gegevens niet of nauwelijks vertekend worden door sociale wenselijkheid, omdat mensen hun gedrag nauwkeurig bijhouden en niet achteraf zelf een inschatting maken van de hoeveelheid tijd die ze aan verschillende activiteiten hebben besteed. Tijdsbestedingsonderzoek is minder geschikt om activiteiten te meten die weinig voorkomen of die weinig tijd kosten.

Nederlanders besteden onveranderd veel (vrije) tijd aan mediagebruik

Uit het Tijdsbestedingsonderzoek (TBO) blijkt dat Nederlanders een aanzienlijk en stabiel deel van hun vrije tijd aan mediagebruik besteden. Voor de verdere verdieping van het mediagebruik gebruiken we het onderzoek Media:Tijd . Als we alle tijd die op een dag wordt besteed aan media en aan communicatie via media optellen (ook als dit gelijktijdig plaatsheeft of plaatsvindt naast andere activiteiten), komen we in 2018 op een totale mediatijd van gemiddeld 8 uur en 23 minuten op een dag (zie onderstaande figuur voor hoe deze mediatijd grofweg verdeeld is over verschillende media-activiteiten, zoals kijken, luisteren en lezen). Van deze tijd gaat gemiddeld 3 uur en 15 minuten naar uitsluitend media; de overige tijd doen mensen er ook andere activiteiten naast (zoals eten, werken of reizen). Deze totale mediatijd bedroeg 8 uur en 33 minuten in 2015 en 8 uur en 40 minuten in 2013 en is dus vrij stabiel. Ook de tijd die besteed wordt aan de verschillende overkoepelende media-activiteiten (kijken, luisteren, lezen, etcetera) laat weinig schommelingen zien.

Nederlanders besteden onveranderd veel tijd aan mediagebruik

kijken
2018
2018 3,08
2015
2015 3,07
2013
2013 3,00
luisteren
2018
2018 2,53
2015
2015 2,7
2013
2013 2,8
lezen
2018
2018 0,7
2015
2015 0,72
2013
2013 0,76
communiceren
2018
2018 1,07
2015
2015 1,1
2013
2013 1,08
gamen
2018
2018 0,3
2015
2015 0,3
2013
2013 0,3
overig internet
2018
2018 0,28
2015
2015 0,3
2013
2013 0,5
overig media
2018
2018 0,37
2015
2015 0,33
2013
2013 0,13

Bron:NLO/NOM/SKO/SCP (Media:Tijd’13); NLO/NOM/SKO/BRO/SCP (Media:Tijd’15); NLO/NOM/SKO/PMA/SCP (Media:Tijd’18)

Er zijn wel grote sociale verschillen in het mediagebruik (zie ook Media binnen tijdsbesteding, Schaper et al. 2019). Mensen van 50 jaar en ouder besteden veruit de meeste tijd aan media en deze leeftijdsgroep - en nog sterker de 65-plussers - kijken en lezen aanzienlijk meer dan tieners en jongvolwassenen. Tieners en jongvolwassenen communiceren en gamen juist meer dan de andere leeftijdsgroepen. Luisteren is voornamelijk populair onder mensen tussen de 35 en 64 jaar. Er zijn ook duidelijke verschuivingen in de precieze media-activiteiten die mensen ondernemen, waarbij de klassieke mediavormen (zoals televisiekijken of radioluisteren op het moment van uitzending) tijd verliezen aan de nieuwere vormen (zoals uitgesteld televisiekijken of kijken of luisteren via internet of streamingdiensten). Dit speelt vooral onder jongeren en hogeropgeleiden (zie Schaper et al. 2019).

Kleine verschuivingen in de frequentie van contact met naasten

We beschreven al dat Nederlanders in 2016 gemiddeld 8,2 uur in een week aan sociale contacten besteedden. Een andere manier om het sociale leven in beeld te brengen, is door mensen te vragen naar de frequentie waarmee zij contact hebben met hun naasten (familie, vrienden, buren) . Dit is gedaan in het SCP-onderzoek Culturele veranderingen in Nederland (CV) en hieruit blijken in de tijd geen grote veranderingen. Kleine verschuivingen zijn er wel; zo geven mensen iets vaker aan frequent contact met de familie te hebben (in 2008 had 73% minstens één keer per week contact met de familie; in 2019 bedroeg dit 80%), evenals met vrienden en kennissen (56% in 2008 en 62% in 2019). Contact met buren werd tot 2018 wel minder frequent, maar is in 2019 met 42% weer op het niveau van 2008.

Kleine verschuivingen in de frequentie van contact met familie, vrienden en buren

totaal 2008 2010 2012 2014 2016 2018 2019
contact met de familie
minder vaak dan eenmaal in de 2 weken 12 13 12 12 11 10 9
eenmaal in de 2 weken 15 15 16 14 13 13 10
eenmaal per week of vaker 73 73 73 74 76 77 80
contact met de buren
minder vaak dan eenmaal in de 2 weken 33 32 34 34 34 38 33
eenmaal in de 2 weken 25 27 28 25 27 25 24
eenmaal per week of vaker 42 41 38 41 39 38 42
contact met vrienden en kennissen
minder vaak dan eenmaal in de 2 weken 19 18 17 - 17 18 16
eenmaal in de 2 weken 25 23 24 - 23 22 22
eenmaal per week of vaker 56 59 59 - 60 60 62

aEr zijn geen betrouwbare gegevens beschikbaar voor het jaar 2014 bij de categorie contact met vrienden en kennissen.

Bron:CBS/SCP (CV’08-’19)

Sportdeelname: grote verschillen tussen groepen

In 2019 sportte 53% van de Nederlanders wekelijks. In 2008 was dat percentage vrijwel even groot, namelijk 51%. Meer mannen dan vrouwen sporten wekelijks, maar deze man-vrouwverschillen in sportdeelname zijn zeer klein. Grotere verschillen zijn zichtbaar naar leeftijd, opleidingsniveau, herkomst en inkomensklasse. Zo neemt de sportbeoefening af naarmate mensen ouder worden (behalve bij de 4-11-jarigen, die minder sporten dan de 12-17-jarigen). Daarnaast sporten lageropgeleiden minder dan middelbaar- en hogeropgeleiden en is het aandeel wekelijkse sporters hoger onder autochtone Nederlanders dan onder mensen met een westerse of niet-westerse migratieachtergrond. Ook sport men meer naarmate men in een hogere inkomensklasse valt (tot en met 2017, met uitzondering van de laagste klasse, maar daaronder vallen ook veel studenten). In De sociale staat van Nederland 2019 concludeerden we al dat de verschillen tussen lager- en hogeropgeleiden toenemen doordat hogeropgeleiden een grotere stijging in sportdeelname lieten zien dan lageropgeleiden (Wennekers et al. 2019, zie ook Gooskens en Van den Dool 2017).

Meten van sportbeoefening

Er zijn twee indicatoren waarmee ontwikkelingen in sportbeoefening worden gemonitord: wekelijkse sportdeelname (zie onderstaande figuur) en sportdeelname 12 keer per jaar of vaker (ook wel de Richtlijn Sportdeelname Onderzoek, RSO-norm, genoemd). Deze sportdeelname van Nederlanders in de leeftijd van 6 jaar en ouder is in de periode 2012-2018 overwegend stabiel gebleven. In 2018 sportte 73% van de Nederlanders minstens 12 keer per jaar. Dit percentage is gelijk aan dat van 2012 (SCP/CBS Vrijetijdsomnibus (VTO’12, ’14, ’16, ’18).

Wekelijkse sportdeelname is hoger bij jongeren, autochotone Nederlanders, hogeropgeleiden en mensen met hogere inkomens

2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
totaal
totaal 50,79 48,98 50,83 50,57 53,49 52,69 51,40 52,10 51,00 53,90 52,80 52,80
geslacht
vrouw (≥ 12 jaar) 51,75 48,75 49,48 49,97 52,42 50,50 50,40 51,00 49,60 52,40 51,20 52,00
man (≥ 12 jaar) 49,76 49,24 52,21 51,18 54,57 54,91 52,50 53,30 52,40 55,40 54,40 53,70
leeftijd
4-11 jaar 64,80 63,30 60,00 63,20
12-17 jaar 82,64 79,21 71,14 75,02 76,59 74,25 70,60 72,00 70,90 75,30 75,00 71,30
18-64 jaar 52,58 50,92 53,35 52,35 55,52 55,85 53,60 54,80 53,20 56,00 54,90 56,00
≥ 65 jaar 29,82 28,73 30,53 31,54 34,98 31,24 35,10 34,00 35,20 38,10 36,70 35,40
opleiding (≥ 25 jaar)
lager opgeleid 32,36 29,89 32,44 32,17 33,82 30,00 30,90 30,20 30,30 31,90 30,20 29,60
middelbaar opgeleid 47,26 45,23 51,25 48,90 50,90 48,22 46,80 48,90 46,70 48,00 47,60 48,40
hoger opgeleid 63,91 61,41 63,74 63,42 65,65 66,74 66,80 66,90 65,40 68,70 66,30 65,60
herkomst
autochtone Nederlander 51,00 52,00 53,40 53,70 54,30 56,00 55,40
westerse migratieachtergrond 54,00 50,00 46,30 50,10 49,50 51,50 49,90
niet-westerse migratieachtergrond 40,00 40,00 41,40 42,50 41,90 49,50 44,30
huishoudinkomen
kwintiel 1 42,50 45,60 39,10 44,90 38,40
kwintiel 2 37,70 36,10 36,40 42,50 40,20
kwintiel 3 44,70 46,60 47,70 54,60 51,10
kwintiel 4 57,50 57,90 56,30 61,90 59,50
kwintiel 5 67,30 67,30 66,50 70,60 66,70

aVoor de jaren 2008-2013 en voor 2019 zijn niet altijd gegevens beschikbaar.

Bron:CBS-Gezondheidsenquête (2001-2013), Gezondheidenquête/Leefstijlmonitor CBS i.s.m het RIVM (2014-2019)

Cultuurdeelname: tot en met 2019 vrij stabiele ontwikkeling, wel meer museumbezoek

Bij cultuurdeelname onderscheiden we cultuurbezoek en cultuurbeoefening. De eerste is onderverdeeld in gecanoniseerde voorstellingen (klassieke muziek, toneel, dans), populaire voorstellingen (popmuziek, cabaret, film enzovoort) en musea. Bij cultuurbeoefening gaat het om het zelf beoefenen van een kunstvorm.

Cultuurdeelname vrij stabiel

bezoek gecanoniseerde voorstellingen 2012 2014 2016 2018
totaal
totaal 37 38 38 35,41
geslacht
vrouw 42 42 40 39,32
man 33 34 35 31,30
leeftijd
12-17 jaar 38 41 41 40,55
18-34 jaar 34 35 39 28,93
35-64 jaar 38 37 35 35,48
≥ 65 jaar 41 42 41 40,74
opleiding
lager opgeleid 27 26 28 23,46
middelbaar opgeleid 31 33 31 28,93
hoger opgeleid 57 53 51 51,15
tijdseisen
kind < 12 jaar 34 34 35 31,58
geen kind < 12 jaar 38 39 38 36,32
betaald werk 37 39 37 35,56
geen betaald werk 37 37 39 35,26
bezoek populaire voorstellingen 2012 2014 2016 2018
totaal
totaal 81 81 81 81,74
geslacht
vrouw 81 82 82 83,82
man 80 80 81 79,56
leeftijd
12-17 jaar 94 93 96 94,09
18-34 jaar 93 92 93 89,75
35-64 jaar 82 82 81 84,10
≥ 65 jaar 55 58 61 63,60
opleiding
lager opgeleid 63 62 62 63,33
middelbaar opgeleid 82 84 80 83,53
hoger opgeleid 92 88 91 91,23
tijdseisen
kind < 12 jaar 88 87 88 86,97
geen kind < 12 jaar 79 79 79 80,49
betaald werk 88 89 88 88,80
geen betaald werk 74 74 75 74,66
bezoek musea 2012 2014 2016 2018
totaal
totaal 48 52 52 55,52
geslacht
vrouw 49 53 53 58,48
man 47 51 50 52,41
leeftijd
12-17 jaar 51 59 59 64,42
18-34 jaar 47 48 50 54,75
35-64 jaar 51 54 53 56,72
≥ 65 jaar 42 49 47 50,80
opleiding
lager opgeleid 28 29 31 32,27
middelbaar opgeleid 44 48 46 51,25
hoger opgeleid 76 75 72 76,25
tijdseisen
kind < 12 jaar 50 52 50 60,95
geen kind < 12 jaar 48 52 57 54,22
betaald werk 53 55 55 60,23
geen betaald werk 44 49 48 50,79
kunstbeoefening in de vrije tijd 2012 2014 2016 2018
totaal
totaal 55 51 54 50,70
geslacht
vrouw 59 55 59 55,91
man 51 48 49 45,23
leeftijd
12-17 jaar 80 69 76 76,52
18-34 jaar 63 58 67 55,85
35-64 jaar 50 48 48 46,53
≥ 65 jaar 46 44 43 45,04
opleiding
lager opgeleid 38 35 35 35,76
middelbaar opgeleid 51 48 52 48,14
hoger opgeleid 67 61 62 56,27
tijdseisen
kind < 12 jaar 57 51 54 50,70
geen kind < 12 jaar 55 51 55 50,70
betaald werk 53 50 53 48,44
geen betaald werk 57 53 55 52,98

Bron:SCP/CBS (VTO’12-’18)

Bezoek gecanoniseerde voorstellingen en musea lager bij mensen met een niet-westerse migratieachtergrond

bezoek gecanoniseerde voorstellingen bezoek populaire voorstellingen bezoek musea kunstbeoefening in de vrije tijd
totaal
autochtone Nederlander 38,14 81,19 53,15 53,28
westerse migratieachtergrond 40,82 80,24 54,94 55,28
niet-westerse migratieachtergrond 28,31 80,51 36,02 49,78

Bron:SCP/CBS (VTO’12-’18)

Museumbezoek nam tot 2018 toe

Op hoofdlijnen is het beeld (bijzonder) stabiel bij bezoek aan zowel gecanoniseerde als populaire voorstellingen. Wel is het bereik van populaire voorstellingen veel groter dan dat van gecanoniseerde voorstellingen. Museumbezoek steeg tussen 2012 en 2018 per saldo met ruim 7 procentpunt. Bij de amateurkunstbeoefening deed zich het tegenovergestelde voor. Deelname hieraan nam per saldo licht af tussen 2012 en 2018.

Cultuurdeelname hoger bij hogeropgeleiden en mensen met betaald werk

Bij alle vormen van cultuurdeelname geldt dat het bereik hoger is naarmate mensen meer opleiding genoten hebben. Bezoek aan populaire voorstellingen en amateurkunstbeoefening liggen vooral hoog in de jongere leeftijdsgroepen.
Mensen met de zorg voor jonge kinderen (tot 12 jaar) zijn cultureel even actief als mensen zonder die zorg (dus inclusief tieners en mensen op gevorderde leeftijd). Ook het hebben van betaald werk (afgezet tegen al degenen die dat niet hebben) blijkt geen belemmering voor cultuurdeelname, zij het dat mensen met betaald werk een iets hogere deelname aan populaire voorstellingen laten zien.

Tevredenheid over het culturele aanbod in de buurt

In 2014, 2016 en 2018 is mensen gevraagd welk belang zij aan cultuur hechten (voor zichzelf en voor de samenleving), of zij tevreden zijn met het culturele aanbod in de buurt en of zij het terecht vinden dat de overheid geld uitgeeft aan cultuur. De samengenomen uitkomsten van 2014, 2016 en 2018 laten het volgende zien:

  • 70% van de bevolking vindt een gevarieerd cultureel aanbod van belang voor de samenleving;
  • 46% vindt het persoonlijk belangrijk;
  • 60% is tevreden met het culturele aanbod in de buurt;
  • 70% vindt het terecht dat de overheid geld uitgeeft aan cultuur.

Een kwart tot een derde van de bevolking antwoordt neutraal op deze vragen. Slechts kleine percentages vinden cultuur onbelangrijk (maatschappelijk onbelangrijk 7%, persoonlijk onbelangrijk 20%), zijn ontevreden met het culturele aanbod in de buurt (7%) of vinden het onterecht dat de overheid geld aan cultuur uitgeeft (6%).

Merendeel is tevreden met culturele aanbod in de buurt en omgeving

zeer onbelangrijk
belang gevarieerd cultureel aanbod voor de samenleving
belang gevarieerd cultureel aanbod voor de samenleving 2,71
belang gevarieerd cultureel aanbod voor individu
belang gevarieerd cultureel aanbod voor individu 5,46
tevredenheid met cultureel aanbod in omgeving
tevredenheid met cultureel aanbod in omgeving 1,25
terecht dat overheid geld uitgeeft aan cultuur
terecht dat overheid geld uitgeeft aan cultuur 1,73
onbelangrijk
belang gevarieerd cultureel aanbod voor de samenleving
belang gevarieerd cultureel aanbod voor de samenleving 4,73
belang gevarieerd cultureel aanbod voor individu
belang gevarieerd cultureel aanbod voor individu 14,76
tevredenheid met cultureel aanbod in omgeving
tevredenheid met cultureel aanbod in omgeving 5,57
terecht dat overheid geld uitgeeft aan cultuur
terecht dat overheid geld uitgeeft aan cultuur 4,21
neutraal
belang gevarieerd cultureel aanbod voor de samenleving
belang gevarieerd cultureel aanbod voor de samenleving 22,18
belang gevarieerd cultureel aanbod voor individu
belang gevarieerd cultureel aanbod voor individu 34,11
tevredenheid met cultureel aanbod in omgeving
tevredenheid met cultureel aanbod in omgeving 33,97
terecht dat overheid geld uitgeeft aan cultuur
terecht dat overheid geld uitgeeft aan cultuur 23,41
belangrijk
belang gevarieerd cultureel aanbod voor de samenleving
belang gevarieerd cultureel aanbod voor de samenleving 48,45
belang gevarieerd cultureel aanbod voor individu
belang gevarieerd cultureel aanbod voor individu 33,08
tevredenheid met cultureel aanbod in omgeving
tevredenheid met cultureel aanbod in omgeving 51,07
terecht dat overheid geld uitgeeft aan cultuur
terecht dat overheid geld uitgeeft aan cultuur 49,08
zeer belangrijk
belang gevarieerd cultureel aanbod voor de samenleving
belang gevarieerd cultureel aanbod voor de samenleving 21,93
belang gevarieerd cultureel aanbod voor individu
belang gevarieerd cultureel aanbod voor individu 12,59
tevredenheid met cultureel aanbod in omgeving
tevredenheid met cultureel aanbod in omgeving 8,15
terecht dat overheid geld uitgeeft aan cultuur
terecht dat overheid geld uitgeeft aan cultuur 21,56

Bron:SCP/CBS (VTO’14-‘18)

Vrije tijd ziet er anders uit in coronatijden

De gegevens op deze pagina zijn verzameld voordat de wereld geraakt werd door de coronapandemie, Nederland in lockdown ging en het dagelijks leven van veel Nederlanders ingrijpend veranderde. Dit heeft vanzelfsprekend ook gevolgen (gehad) voor de vrije tijd van mensen: qua omvang, invulling of ervaring. De precieze impact is echter moeilijk te bepalen, omdat hier niet altijd goede gegevens over zijn of deze zich niet goed laten vergelijken met gegevens van voor deze maatregelen. Ook is (nog) niet goed te zeggen wat de gevolgen op de langere termijn zijn.

In een beleidssignalement van 7 mei heeft het SCP (2020) de mogelijke gevolgen van de coronamaatregelen (zoals het zoveel mogelijk thuis blijven, beperking van bezoek en 1,5 meter afstand van elkaar houden) voor onder andere de (beleving van) vrije tijd doordacht. De getroffen maatregelen kunnen de hoeveelheid vrije tijd van burgers veranderen. Enerzijds is de verwachting dat het niet meer hoeven forenzen tot meer vrije tijd leidt, maar anderzijds stond tijdens de lockdown het aantal vrije uren van ouders met kleine en/of schoolgaande kinderen onder druk vanwege de sluiting van kinderopvang en scholen (en de bijkomende zorg- en onderwijstaken). Uit de analyses hiervoor bleek dat de gemiddelde vrije tijd bij hen al achterblijft en zij al voor deze maatregelen van start gingen aangaven hun vrije tijd niet altijd voldoende te vinden.

Ook wordt er in het beleidssignalement een aantal verwachtingen geschetst over de ervaring van de vrije tijd. Mogelijkheden tot ontspanning, ontplooiing, ontmoeting, ondersteuning en onderscheiding komen onder druk te staan. Zo kan de oproep om zoveel mogelijk thuis te blijven en thuis te werken betekenen dat de vrije tijd minder ‘vrij’ voelt en is het de vraag in hoeverre digitale middelen het gebrek aan 'echt' contact kunnen opvangen. Uit onderzoek in juli 2020 blijkt dat veel mensen het gemis van sociale contacten sinds de coronacrisis noemen als we ze vragen naar negatieve ervaringen van de afgelopen tijd. Daar staat tegenover dat mensen ook zeggen dat het fijn was om meer tijd aan het eigen gezin te kunnen besteden en sommigen hadden juist meer contact in de eigen buurt (De Klerk et al. 2020).

Naar het mediagebruik tijdens de lockdown zijn verschillende onderzoeken gedaan. Het (televisie)kijken en lezen piekten (Kist 2020) en mensen volgden massaal (en collectief) de persconferenties van het kabinet (Stichting KijkOnderzoek 2020).

De sluiting van (sport- en cultuur)voorzieningen en het verbod op evenementen betekende een grote inperking van de vrijheid om de vrije tijd buiten de deur naar eigen voorkeur te besteden, inclusief sport- en de kunstbeoefening. De maatregelen hebben mogelijk ook gevolgen voor de verbindende functie tussen verschillende bevolkingsgroepen die vaak aan de sport- en cultuursector wordt toegeschreven. Als mensen fysiek afstand van elkaar moeten houden, zal dat vermoedelijk maar deels de gevolgen compenseren (SCP 2020). Naar verwachting zal een deel van de sportverenigingen, sportclubs en culturele instellingen (zoals musea en theatergezelschappen) de coronacrisis, ondanks diverse vormen van overheidssteun, niet overleven.

Door de coronacrisis konden veel sporten, in elk geval aan het begin van deze crisis, niet of moeilijk beoefend worden door verplichte sluitingen van sportaccommodaties en fitnesscentra en de anderhalvemetereis. De totale sportdeelname is daardoor in de lente afgenomen zowel in termen van het aantal sporters als het aantal uren: ‘In een ‘normale’ lente sport 13 procent helemaal niet en in de periode na het instellen van de maatregelen was dat 18 procent. Per saldo is de helft evenveel uren blijven sporten/bewegen (49%), 38 procent minder en 13 procent meer. De teruggang is vooral zichtbaar voor wandelen en fietsen naar het werk en sporten bij een sportclub’ (Van den Dool 2020: 4).

Verder laat het onderzoek Zo sport Nederland, uitgevoerd door Ipsos in opdracht van het NOC*NSF, zien dat het aantal mensen dat wekelijks sport door de coronacrisis is gedaald van 10,4 miljoen in 2019 naar 8,7 miljoen in maart 2020.

Na de intelligente lockdown mochten per 1 juli alle sportaccommodaties, sportkantines en fitnesscentra weer open (NOC*NSF 2020). Ongetwijfeld is de deelname aan sport na die opening weer gestegen. Of de sportdeelname weer op het oude niveau is teruggekomen was op het moment van het schrijven van deze publicatie nog niet bekend.

De vorige economische crisis (2008-2013) leidde tot een kleine daling van de sportdeelname in alle in deze publicatie onderzochte subgroepen. De economische crisis die voortkomt uit de coronacrisis kan dus mogelijk ook leiden tot een daling. Financiële problemen bij de lagere inkomens kunnen een extra drempel opwerpen voor sportdeelname.

Door de sluiting van musea, het niet doorgaan van voorstellingen en het verbod op festivals nam ook de cultuurdeelname, in elk geval aan het begin van de coronacrisis, af. Door de coronabeperkingen is de cultuursector zwaar getroffen. Daarom heeft de rijksoverheid diverse regelingen in het leven geroepen voor de culturele en de creatieve sector (Rijksoverheid 2020). Ook voor de cultuursector werden de coronabeperkingen per 1 juli 2020 verruimd, maar er bleef toch nog een aantal beperkingen van kracht, zoals de anderhalvemetereis. In hoeverre de cultuurdeelname weer enigszins opleefde na 1 juli was op het moment van het schrijven van deze publicatie nog niet bekend.

Literatuur

Dool, R. van den (2020). Sport en bewegen in tijden van covid-19. Deelname & kijkgedrag volwassenen maart-april 2020. Utrecht: Mulier Instituut.

Kist, R. (2020). Record in kijk- en leescijfers door corona. In: NRC Handelsblad, 27 april 2020. Geraadpleegd 15 mei 2020 via https://www.nrc.nl/nieuws/2020/04/27/record-in-kijk-en-leescijfers-dankzij-corona-a3997990.

Gooskens, W. en R. van den Dool (2017). Sportdeelname en opleidingsniveau: factsheet 2017/8. Utrecht: Mulier Instituut.

NOC*NSF (2020). 1,7 miljoen Nederlanders minder aan het sporten. Arnhem: NOC*NSF. Geraadpleegd 20 augustus 2020 via https://nocnsf.nl/nieuws/2020/04/1-7-miljoen-nederlanders-minder-aan-het-sporten.

NOC*NSF (2020). Coronavirus en de sport. Arnhem: NOC*NSF. Geraadpleegd 20 augustus 2020 via https://nocnsf.nl/coronavirus-en-sport.

Rijksoverheid (2020). Financiële regelingen culturele en creatieve sector. Geraadpleegd 20 augustus 2020 via https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-financiele-regelingen/overzicht-financiele-regelingen/overzicht-regelingen-culturele-en-creatieve-sector.

Schaper, J. C., A. M. Wennekers en J. de Haan (2019). Trends in Media:Tijd. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

SCP (2020). Beleidssignalement. Eerste doordenking maatschappelijke gevolgen coronamaatregelen. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Stichting KijkOnderzoek (2020). Corona houdt Nederland thuis - kijkcijfers week 11 en 12. Geraadpleegd 1 augustus 2020 via https://kijkonderzoek.nl/images/Persberichten/2020/200324_Factsheet_Corona_houdt_Nederland_thuis_-_kijkcijfers_week_11_en_12.pdf.

Torre, A. van der en A. Steenbekkers (2019). Bevolking, economie en leefomgeving. In: A. Wennekers, J. Boelhouwer, C. van Campen en J. Kullberg (red.), De sociale staat van Nederland 2019 (p. 17-51). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Wennekers, A., A. Bassler, N. Sonck, S. Pennekamp, H. Fernee en J. de Haan (2017). Media:Time. A new time-use survey method to capture today’s media use. In: Survey Practice, jg. 10, nr. 4, p. 1-9.

Wennekers, A., A. van den Broek en A. van der Torre (2019). Vrije tijd. In: A. Wennekers, J. Boelhouwer, C. van Campen en J. Kullberg (red.), De sociale staat van Nederland 2019 (p. 189-221). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Deze kaart citeren

Wennekers, A.M. en A.G.J. van der Torre (2020). Vrije tijd. In: De sociale staat van Nederland: 2020. Geraadpleegd op [datum vandaag] via https://digitaal.scp.nl/ssn2020/vrije-tijd.

Informatie noten

Dit blijkt uit de meest recente meting van het Tijdsbestedingsonderzoek van het SCP. Zie voor meer informatie over dit onderzoek onderstaande uitklapbox over het meten van tijdsbesteding via de dagboekmethode.

Zie de uitklapbox over het meten van tijdsbesteding via de dagboekmethode.

De activiteiten die onder kijken, luisteren, lezen, communiceren en gamen vallen, zijn over de jaren heen ongewijzigd. Bij overig internet en overig media zijn na 2013 een paar kleine wijzigingen in het dagboek doorgevoerd, waardoor deze categorieën in 2015 en 2018 niet goed te vergelijken zijn met 2013.

Op de pagina Kwaliteit van leven wordt ingegaan op eenzaamheid.