De sociale staat van Nederland 2020

4 / 12

Inkomen

Auteurs: Jean Marie Wildeboer Schut en Michiel Ras

Het jaar 2013 vormde qua koopkracht het dieptepunt van de economische crisis die begon in 2008. Sindsdien is de economie weer opgeleefd. Deze krimpt nu voor het eerst in jaren weer, vanwege de uitbraak van het coronavirus en de daaropvolgende overheidsmaatregelen om verspreiding van het virus te beperken (zie ook de pagina Bevolking, economie en leefomgeving). Omdat de ontwikkelingen nog zeer recent zijn, is het lastig om de gevolgen van de coronacrisis in haar volle omvang in te schatten. Het Centraal Planbureau (CPB) heeft 2 scenario’s uitgewerkt (CPB 2020). In beide scenario’s vindt er een recessie plaats. Het basisscenario gaat ervan uit dat er geen tweede golf komt van het coronavirus met opnieuw grootschalige contactbeperkingen. In het tweede scenario zijn er wel opnieuw grootschalige contactbeperkingen. In het basisscenario loopt de werkloosheid op tot 6,5% in 2021, in het tweede scenario tot 10,0%. Het is moeilijk aan te geven wat de weerslag van de huidige ontwikkelingen zal zijn op het inkomen van mensen. Maar de vooruitzichten voor zelfstandigen, flexibele werkkrachten en starters zien er niet gunstig uit.

Koopkracht herstelde tussen 2013 en 2018

In de tweede helft van 2008 ving de tot nu toe grootste economische crisis van na de Tweede Wereldoorlog aan. Aanvankelijk steeg de koopkracht de eerste jaren nog. Dit kwam voornamelijk door lopende cao’s die eerder waren afgesloten in de veronderstelling dat een periode van hoge inflatie en lage werkloosheid zou volgen. De recessie werd in eerste instantie opgevangen door de bedrijven (teruglopende winsten) en de overheid (oplopende begrotingstekorten en staatsschuld).

Als gevolg van het op orde brengen van de overheidsfinanciën daalde vanaf 2010 de koopkracht. Ook nam vanaf dit jaar de werkloosheid toe (zie ook de kaart Betaald werk). Het dieptepunt van de crisis werd bereikt in 2013. De koopkracht was toen 4 jaar achter elkaar gedaald. Sindsdien is de Nederlandse economie tot 2020 bezig geweest aan haar herstel. Tussen 2013 en 2018 steeg de koopkracht met 7%.

Na verlies koopkracht door de vorige crisis volgde in 2018 herstel voor vrijwel alle groepen

2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
totaal
gehele bevolking 29,2 29,1 28,8 28,4 27,8 27,3
gehele bevolking - set2 29,8 31,2 30,8 32,0 32,3 31,9
inkomensklasse
laagste 25% 15,2 14,8 15,2 14,8 14,5 14,1
tweede 25% 22,8 22,9 22,5 22,3 21,8 21,4
derde 25% 29,7 29,9 29,4 29,1 28,4 28,1
hoogste 25% 49,1 48,7 48,1 47,3 46,3 45,7
laagste 25% - set2 14,8 15,1 15,2 15,6 15,9 15,8
tweede 25% - set2 23,4 23,8 24,1 24,8 25,2 24,9
derde 25% - set2 30,7 31,4 31,8 32,8 33,3 32,9
hoogste 25% - set2 50,4 54,6 52,1 53,2 54,8 53,9
geslacht
man 29,8 29,6 29,3 28,9 28,2 27,8
vrouw 28,6 28,5 28,3 27,9 27,3 26,9
man - set2 30,4 31,8 31,4 32,6 33,0 32,5
vrouw - set2 29,2 30,6 30,2 31,3 31,7 31,2
type huishouden
alleenstaand < 65 jaar c 24,6 24,2 24,1 23,4 22,8 22,7
alleenstaand ≥ 65 jaar c 23,8 23,7 23,7 22,8 22,6 22,2
alleenstaand met uitsluitend minderjarige kinderen 18,6 18,9 19,0 18,6 18,3 18,1
samenwonend zonder kinderen, eenverdiener 27,3 26,4 25,9 26,0 24,9 24,4
samenwonend zonder kinderen, tweeverdiener 36,2 36,4 35,1 34,9 34,0 33,9
samenwonend met kinderen, eenverdiener 22,5 21,5 21,4 20,7 20,2 19,7
samenwonend met kinderen, tweeverdiener 29,1 29,1 28,8 28,7 28,3 28,0
samenwonend ≥ 65 jaar c 28,1 28,4 28,6 27,6 27,6 26,6
alleenstaand < 65 jaar - set2 c 24,2 25,1 25,1 25,5 25,7 25,2
alleenstaand ≥ 65 jaar - set2 c 23,7 24,5 24,3 24,5 25,7 25,2
alleenstaand met uitsluitend minderjarige kinderen - set2 19,0 19,6 20,1 20,6 21,0 20,8
samenwonend zonder kinderen, eenverdiener - set2 26,5 26,8 26,8 27,0 27,1 26,0
samenwonend zonder kinderen, tweeverdiener - set2 36,9 38,8 38,2 39,2 40,0 39,2
samenwonend met kinderen, eenverdiener - set2 22,0 22,0 22,4 22,7 22,6 22,2
samenwonend met kinderen, tweeverdiener - set2 31,0 32,8 32,4 33,3 34,0 33,7
samenwonend ≥ 65 jaar - set2 c 28,6 30,0 29,0 29,4 30,2 29,1
inkomensbron huishouden
winst 35,5 33,1 33,3 32,9 31,9 31,0
loon 29,3 29,8 29,4 29,1 28,5 28,6
prepensioen 27,9 27,5 27,3 26,5 26,0 25,7
uitkering 17,2 17,1 17,0 16,5 16,2 15,9
pensioen 25,1 25,4 25,0 24,7 24,6 23,9
winst - set2 37,4 43,1 38,3 39,1 40,5 41,5
loon - set2 31,3 31,9 32,5 33,5 33,8 33,3
prepensioen - set2 24,8 25,9 26,1 26,8 28,2 27,7
uitkering - set2 16,8 17,0 17,1 17,2 17,3 16,9
pensioen - set2 26,2 26,8 26,8 27,3 27,1 26,6
inkomensbron individu
zzp-eigen arbeidd 35,0 31,0 31,9 31,2 30,2 29,1
zzp-eigen arbeidd - set2 34,3 36,1 35,9 37,1 38,1 36,8
opleiding
lager opgeleid 22,9 22,4 22,5 22,2 22,0/td> 21,1
middelbaar opgeleid 26,5 26,0 25,5 25,1 24,4 23,9
hoger opgeleid 36,2 35,6 35,0 33,4 33,0 33,1
lager opgeleid - set2 25,5 26,0 26,7 27,1 27,3 26,9
middelbaar opgeleid - set2 29,1 30,5 30,6 31,4 31,5 31,2
hoger opgeleid - set2 37,8 39,4 38,6 40,5 39,8 39,2
herkomst
autochtone Nederlander 30,2 30,2 29,8 29,4 28,8 28,4
westerse migratieachtergrond 29,6 29,6 29,4 28,7 27,9 27,4
niet-westerse migratieachtergrond 22,3 22,4 22,3 21,9 21,4 21,2
autochtone Nederlander - set2 31,0 32,5 32,0 33,3 33,6 33,2
westerse migratieachtergrond - set2 29,3 30,7 30,4 31,4 31,5 32,3
niet-westerse migratieachtergrond - set2 21,5 22,3 22,6 23,5 23,9 24,9

aHet betreft hier deels overlappende groepen waarvan de koopkrachtontwikkeling is weergegeven. De gemiddelden in de figuur hebben betrekking op individuen. Institutionele en studentenhuishoudens zijn buiten beschouwing gelaten.

bIn het jaar 2013 is er sprake van een trendbreuk doordat het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) de inkomensgegevens herzien heeft. De resultaten voor en na dat jaar zijn hierdoor niet geheel vergelijkbaar.

cVanaf 2013 betreft deze categorie mensen in de dan geldende AOW-leeftijd.

dHet betreft hier zzp’ers die hun eigen arbeid aanbieden en voor de belastingdienst als ondernemer tellen.

Bron:CBS (IPO’08-’11; IPI’11-’18; IHI’11-’18; EBB’11-’18; Persoonskenmerken van alle in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) ingeschreven personen, gecoördineerd) SCP-bewerking

Herziening Inkomensstatistiek

Tot en met 2014 gebruikte het CBS het Inkomenspanelonderzoek (IPO) voor het opstellen van cijfers over inkomens. Het IPO vormde een steekproef uit de Nederlandse bevolking van ongeveer 100.000 personen. Om het inkomen op huishoudensniveau te meten werd deze steekproef aangevuld met de overige leden van het huishouden van de steekproefpersonen. Daarmee bevatte het IPO per jaar ongeveer 280.000 personen, die samen 100.000 huishoudens vormden.

Technische ontwikkelingen hebben het mogelijk gemaakt om cijfers over inkomens vanaf 2011 voortaan op de gehele bevolking te baseren. Daarnaast heeft het CBS de wijze herzien waarop het inkomen wordt gemeten. Onder meer door een wijziging van het netto-huurwaardebegrip en een verbeterde waarneming van een aantal inkomensposten. Ook winst als belangrijkste inkomensbron is anders dan voorheen gemeten. De herziening heeft het inkomen voor veel huishoudens hoger doen uitkomen dan volgens de oude methodiek het geval zou zijn geweest (vergelijk Bos en Lok 2019). We hebben vanaf 2011 dus de beschikking over twee verschillende soorten databestanden. Om de twee reeksen van gemiddelde inkomens op elkaar aan te laten sluiten is het zinvol om voor een jaar gegevens uit beide bronnen te rapporteren. Op deze wijze krijgen we inzicht in het effect op de inkomenscijfers van de overgang van steekproef naar populatie. In deze kaart is dit op inhoudelijke gronden vanaf 2013 gedaan. De inkomens van de Nederlandse bevolking bevonden zich in dat jaar op een dieptepunt. Daarna trok de economie weer aan. De neergaande lijn wordt dus door gegevens uit het IPO weergegeven; de klim uit het economische dal door de cijfers over de hele bevolking.

Koopkracht verbeterde tussen 2013 en 2018 in vrijwel alle groepen

Verschillende groepen kregen tijdens de vorige economische crisis te maken met een koopkrachtverlies van 10% of meer. Dit waren allereerst de paren waarvan één persoon het inkomen verdient, zowel zonder (-10%) als met kinderen (-12%). Daarnaast hadden mensen met winst als belangrijkste inkomensbron een aanzienlijk koopkrachtverlies (-13%), met een uitschieter van -17% voor de zzp’ers die hun inkomen vergaren met het aanbieden van hun eigen arbeid. Ten slotte verloren ook mensen met een middelbare opleiding bovengemiddeld veel koopkracht (10%). De koopkracht van de bevolking als geheel daalde in de periode 2008-2013 met 7%.

Na 2013 verbeterde de koopkracht van vrijwel alle groepen. Degenen met winst (11%) en een prepensioen (12%) als belangrijkste inkomensbron gingen er tussen 2013 en 2018 fors op vooruit. Ook onder mensen met een westerse migratieachtergrond is het herstel relatief aanzienlijk te noemen (10%). Onder inwoners met een niet-westerse migratieachtergrond nam de koopkracht het meest toe (15%). Dit zou kunnen komen doordat hun arbeidsdeelname in de economische crisis sterker was gedaald en daarna weer sterker was gestegen dan bij de andere herkomstgroepen (CBS 2020). In vergelijking met mensen met een westerse migratieachtergrond en autochtone Nederlanders is hun koopkracht echter nog laag te noemen.

Zoals gezegd, is het op dit moment moeilijk om een inschatting te geven van de gevolgen van de coronacrisis (en de bijbehorende maatregelen) voor het inkomen van mensen. In ieder geval is duidelijk dat de economie dit jaar krimpt (CPB 2020). Vooral voor zelfstandigen, flexibele werkkrachten en starters zijn de vooruitzichten ongunstig. De overheid heeft een aantal regelingen in het leven geroepen die de eerste inkomensgevolgen van de coronamaatregelen verlichten. Drie daarvan zijn de Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor Werkgelegenheid (NOW), de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo) en de Tijdelijke overbruggingsregeling voor flexibele arbeidskrachten (TOFA). De NOW is min of meer vergelijkbaar met de deeltijd-WW die gedurende de vorige economische neergang in het leven werd geroepen. Ondernemers met fors omzetverlies krijgen onder bepaalde voorwaarden een tegemoetkoming in de salariskosten van hun personeel, om hen te stimuleren hun mensen in dienst te houden. De laatste twee betreffen steunmaatregelen rond bijstandsniveau voor zelfstandigen en flexibele werknemers met inkomensterugval. De NOW en Tozo zijn in de zomer en het najaar van 2020 gecontinueerd, maar de voorwaarden voor toekenning van een uitkering zijn strikter geworden. De TOFA is niet verlengd. Met deze maatregelen steunt de overheid de groepen die in eerste instantie het zwaarst getroffen worden door de opgelegde coronamaatregelen en de daaropvolgende economische neergang.

Niveau armoede in 2018 terug naar 2011

2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
totaal
totaal 6 7 8 7 6 6 6 6
type huishouden
alleenstaand 13 14 15 13 10 10 9 12
eenoudergezin 22 25 24 23 19 18 16 16
inkomensbron huishouden
winst 9 10 10 9 8 9 8 7
loon 3 3 3 3 3 2 2 2
uitkering 35 38 39 36 30 28 28 35
inkomensbron individu
zzp-eigen arbeidc 9 9 10 9 8 9 8 7
persoonlijke kenmerken
niet-westerse migratieachtergrond 21 23 24 22 20 18 17 19
leeftijd 0-17 jaar 9 10 10 10 9 9 8 8
leeftijd ≥ 65 jaar 3 3 3 3 3 3 3 3
lager opgeleid 6 7 8 8 6 6 6 7

aVolgens het niet-veel-maar-toereikendcriterium. Dit criterium geeft het budget weer dat minimaal nodig is om onvermijdbare uitgaven aan voedsel, kleding en wonen te kunnen betalen, en daarbovenop de uitgaven aan basale vormen van ontspanning en sociale participatie zoals abonnementen, uitgaan en vakanties.

bVóór de revisie gold iemand als zelfstandige als deze inkomen uit winst, hoe gering ook, genoten had. Nu wordt bij zelfstandigen, evenals van oudsher bij de overige categorieën een zwaartepuntsbenadering gehanteerd. Gekeken wordt bij deze methodiek naar de belangrijkste inkomensbron van iemand. Deze nieuwe wijze van meten heeft het aantal zelfstandigen bijna gehalveerd (Bos en Lok 2019).

cHet betreft hier zzp’ers die hun eigen arbeid aanbieden en voor de belastingdienst als ondernemer tellen.

Bron:CBS (IPO’08-’11; IPI’11-’18; IHI’11-’18; EBB’11-’18, Persoonskenmerken van alle in de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) ingeschreven personen, gecoördineerd) SCP-bewerking

Inkomensongelijkheid was tussen 2013 en 2018 stabiel

De inkomensongelijkheid als geheel is in Nederland al jaren op een stabiel peil (Soede et al. 2014; Vrooman en Wildeboer Schut 2015). Twee maten voor inkomensongelijkheid, de Gini- en Theil-coëfficiënt , gaven in 2018 dezelfde waarden als in 2013 .

Niveau armoede in 2018 terug naar niveau 2011

Uit de armoedecijfers kunnen we de financiële gevolgen van de vorige economische crisis voor huishoudens goed aflezen. Doordat de armoedegrens en de manier waarop inkomens worden gemeten zijn aangepast, kan echter niet direct worden afgeleid of de armoede in 2018 terug is op het niveau van 2008 .

Bij vrijwel alle groepen neemt het aantal armen toe tussen 2011 en 2013 , toen Nederland het hoogste armoedecijfer van deze eeuw tot nu toe bereikte (Hoff et al. 2016). Tussen 2013 en 2018 nam het armoedepercentage weer af, zowel bij de gehele bevolking als bij de meeste groepen.

Desalniettemin verkeerde in 2018 nog steeds bijna een vijfde van de mensen met een niet-westerse migratieachtergrond en ruim een derde van de uitkeringsgerechtigden in armoede. De sterkste daling tussen 2013 en 2018 vond bij de eenoudergezinnen plaats. Het ligt voor de hand dat de invoering van de alleenstaande ouderkop in 2015 hier invloed op heeft gehad.

Het aandeel van het totale inkomen van de bevolking van de rijkste 1% is gestegen van 5% naar 6%. Dat van de rijkste 10% bleef constant (22%).

Het ligt in de lijn der verwachting dat de armoedeproblematiek vanaf 2020 weer zal toenemen. Groepen bij wie de klappen eerst en vooral vallen zijn zzp’ers, ondernemers die failliet zijn gegaan en baanverliezers. Deze laatste groep bestaat in eerste instantie vooral uit flexwerkers die – ondanks de loonkostentegemoetkoming voor hun werkgever (in het kader van de NOW) – zijn ontslagen of van wie het contract niet is verlengd (Olsthoorn et al. 2020).

Vermogensongelijkheid fors; percentage negatieve vermogens daalt na 2013

In een recente studie wees Reuten (2018) erop dat Nederland, na de Verenigde Staten, de hoogste vermogensongelijkheid kent van de door hem onderzochte 27 OECD-landen . Ook de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) geeft aan dat de vermogensongelijkheid in ons land fors te noemen is (Kremer et al. 2014). Kooiman en Lejour (2016) daarentegen plaatsen enige kanttekeningen bij het meten van de ongelijkheid van het vermogen in Nederland (vergelijk ook Van Bavel en Salverda 2014). Zij geven aan dat belangrijke componenten niet worden meegenomen in deze berekeningen, zoals pensioenen en de kapitaalverzekeringen eigen woning . Toevoeging hiervan doet de ongelijkheid waarschijnlijk afnemen.

De vermogensongelijkheid liep tijdens de crisis flink op. Een maat hiervoor, de Gini-coëfficiënt , steeg tussen 2009 en 2013 van 0,78 naar 0,90 (Kooiman en Lejour 2016). Dit komt waarschijnlijk door de relatief sterke daling van het vermogen in het midden van de vermogensverdeling. Deze vermogens kwamen onder druk te staan toen de huizenprijzen daalden. Veel huishoudens hebben hun woning met een hoge hypotheek gefinancierd. Dit zorgde ervoor dat veel huizen vanwege deze waardedaling onder water kwamen te staan. Door het aantrekken van de woningmarkt stopte de stijging van de vermogensongelijkheid en tussen 2015 en 2018 daalde de ongelijkheid weer (Brakel en Pouwels-Urlings 2019). In onderstaande figuur is deze stijging en de daarop volgende daling goed te zien aan het verloop van het percentage huishoudens met negatieve vermogens (schulden) sinds 2014. Kampte in 2013 en 2014 nog bijna een kwart van de huishoudens met schulden, in 2015 is dit aandeel al met enkele procentpunten gedaald, om uiteindelijk in 2018 op 16% uit te komen. Het relatief lage niveau van de jaren voor en in het begin van de vorige crisis was in 2018 echter nog niet gehaald.

Afname negatieve vermogensa sinds 2013, omvang middelste vermogensklassen toegenomen

2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
negatief 4,75 6,34 9 17,53 21,6 24,75 24,76 23,01 21,47 18,48 15,87
≥ 0 - € 5000 22,59 22,4 22,01 15,73 14,87 16,19 16,42 15,67 15,92 16,13 16,02
€ 5000- € 100.000 29,71 29,69 29,62 28,26 28,04 26,43 26,55 28,36 28,90 30,04 30,44
€ 100.000- € 1.000.000 39,79 38,59 36,5 35,84 33,53 30,44 30,08 30,73 31,36 32,88 34,94
> € 1.000.000 3,16 2,99 2,87 2,64 2,41 2,19 2,19 2,24 2,35 2,47 2,73

aDe vermogens zijn incl. de WOZ-waarde van het huis en de daartegenover staande hypothecaire schuld.

bDe vermogensklassen zijn weergegeven in prijzen van 2019.

Bron:CBS (IHI’08-’18) SCP-bewerking

Tevredenheid met financiële situatie voor vrijwel alle groepen in 2018/’19 groter dan in 2010/’11

De recentste gegevens over de tevredenheid van mensen met de financiële middelen van hun huishouden in de figuur hieronder dateren uit 2018/’19 . De coronacrisis was toen nog niet begonnen, en zal ongetwijfeld op termijn sterke effecten hebben, die verschillen naar gelang de inkomensbron van mensen en de bedrijfssector waarin zij eventueel werken . In 2018/’19 gaf 93% van de volwassenen aan tevreden te zijn met de financiële middelen. Dit is een hoger percentage dan tijdens het dieptepunt van de vorige economische neergang in 2012/’13 (89%, zie onderstaande figuur). De toename van de tevredenheid is in lijn met de ontwikkeling van de feitelijke inkomens.

Tevredenheid met financiële middelen

2010/'11 2012/'13 2014/'15 2016/'17 2018/'19
totaal
90 89 91 92 93
type huishouden
samenwonend zonder kinderen 94 91 95 95 95
samenwonend met kinderen 92 92 93 93 96
overig 81 82 84 86 88
inkomensbron
werkzaam 93 91 93 93 94
uitkering 62 63 70 75
pensioen 94 92 95 94 94
overig 75 81 82 78 91
opleiding
lager opgeleid 85 86 85 86 90
middelbaar opgeleid 89 88 90 91 93
hoger opgeleid 94 92 96 97 96
herkomst
autochtone Nederlander 92 91 92 93 93
westerse migratieachtergrond 88 88 92 91 94
niet-westerse migratieachtergrond 75 77 84 82 92

aRespondenten konden hun tevredenheid met de financiële middelen aangeven op een tienpuntschaal. Scores van een 6 of hoger zijn als ‘tevreden’ aangemerkt.

bVanaf 2014 is de arbeidsmarktpositie bepaald door de belangrijkste inkomstenbron van het huishouden, waar dit voorheen op de zelfgedefinieerde positie in de werkkring gebeurde. Dit veroorzaakt een trendbreuk in de betreffende cijfers.

cUitkering 2010/'11: cijfer onbetrouwbaar.

Bron:SCP (CV’10/’11-’18/'19)

De tevredenheid met het inkomen is gemeten via een enquête onder een steekproef van de bevolking; de feitelijke inkomens zijn bekend voor alle inwoners van Nederland. De mate van tevredenheid is dus minder nauwkeurig bekend. De verschillen in tevredenheid tussen groepen blijken wel vrij goed overeen te komen met die van de feitelijke inkomens. Net zoals bij het koopkrachtherstel na het dieptepunt van de vorige crisis is de snelste stijging van tevredenheid met het inkomen te zien bij mensen met een niet-westerse migratieachtergrond (gevolgd door mensen met een uitkering) . Pensioenontvangers vormen de enige groep mensen bij wie de tevredenheid niet toenam, maar gelijk bleef. Zij behoorden in 2010/’11 nog tot de groepen die met hun inkomen het meest tevreden waren. Hun inkomens stegen daarna inderdaad het minst (op die van eenverdieners na). Daarnaast zal de zichtbare problematiek rond indexatie van pensioenen in de afgelopen jaren de tevredenheid niet hebben vergroot (zie bv. De sociale staat van Nederland 2019). Bij alle onderscheiden opleidingsniveaus nam de tevredenheid toe.

Literatuur

Bavel, B. van en W. Salverda (2014). Vermogensongelijkheid in Nederland. In: Economisch Statistische Berichten, jg. 99, nr. 4688, p. 392-305). Geraadpleegd 12 juli 2018 via https://dspace.library.uu.nl/bitstream/handle/1874/307569/392_395_BAVEL.pdf?sequence=1.

Bos, W. en R. Lok (2019). Herziening van de Inkomensstatistiek 2011. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Brakel, M. van den en F. Otten (2017). Door crisis en vergrijzing stijgt ongelijkheid in primair inkomen. In: Economisch Statistische Berichten, jg. 102, nr. 4756, p. 579-582.

Brakel, M. van den en N. Pouwels-Urlings (2019). Ongelijkheid in Inkomen en Vermogen. Statistische Trends. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd 21 augustus 2020 via https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2019/19/ongelijkheid-in-inkomen-en-vermogen.

CBS (2020). Hoe verschillen arbeid en inkomen naar migratieachtergrond? Geraadpleegd 19 augustus 2020 via https://www.cbs.nl/nl-nl/dossier/dossier-asiel-migratie-en-integratie/hoe-verschillen-arbeid-en-inkomen-naar-migratieachtergrond-.

CPB (2020). Augustusraming 2020-2021. Den Haag: Centraal Planbureau.

Dekker, P., J. den Ridder, P. van Houwelingen en E. Miltenburg (2020). Burgerperspectieven 2020|2. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Goderis, B., B. van Hulst, J.M. Wildeboer Schut en M. Ras (2018). De SCP-methode voor het meten van armoede: herijking en revisie. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Hoff, S., J.M. Wildeboer Schut, B. Goderis en C. Vrooman (2016). Armoede in Kaart 2016. Den Haag: Centraal en Cultureel Planbureau. Geraadpleegd 21 augustus 2020 via http://digitaal.scp.nl/armoedeinkaart2016/.

Kooiman, T. en A. Lejour (2016). Vermogensongelijkheid in Nederland, 2006-2013. Den Haag: Centraal Planbureau. Geraadpleegd 21 augustus 2020 via https://www.cpb.nl/publicatie/vermogensongelijkheid-in-nederland-2006-2013.

Kremer, M., M. Bovens, E. Schrijvers en R. Went (2014). Hoe ongelijk is Nederland? Een verkenning van de ontwikkeling en de gevolgen van economische ongelijkheid. Den Haag: Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

Olsthoorn, M., P. Koot en S. Hoff (red.) (2020). Kansrijk Armoedebeleid. Den Haag: Centraal Planbureau; Sociaal en Cultureel Planbureau.

Reuten, G. (2018). De Nederlandse vermogensverdelig in internationaal perspectief. Een vergelijking met 26 andere OECD-landen. In: TPEdigitaal, jg. 12, nr. 2, p. 1-8). Geraadpleegd 12 juli 2018 via https://www.tpedigitaal.nl/sites/default/files/bestand/De-Nederlandse-vermogensverdeling-in-internationaal-perspectief.pdf.

Soede, A., S. Hoff en J. Kullberg (2014). Kapitale tegenstellingen? De maatschappelijke betekenis van financiële ongelijkheid. In: C. Vrooman, M. Gijsberts en J. Boelhouwer (red.), Verschil in Nederland. Sociaal en Cultureel Rapport 2014 (p. 105-138). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Vrooman, C. en J.M. Wildeboer Schut (2015). Op rozen zitten, of op zwart zaad. Twee decennia inkomensongelijkheid. In: Mens en Maatschappij, jg. 90, nr. 4, p. 343-378.

Deze kaart citeren

Wildeboer Schut, J. M. en M. Ras (2020). Inkomen. In: De sociale staat van Nederland: 2020. Geraadpleegd op [datum vandaag] via https://digitaal.scp.nl/ssn2020/inkomen.

Informatie noten

De termen ‘inkomen’, ‘besteedbaar inkomen’ en ‘koopkracht’ worden in deze kaart door elkaar gebruikt. In alle gevallen gaat het om het besteedbare huishoudensinkomen dat gecorrigeerd is voor inflatie en voor de samenstelling van het huishouden. Het gaat hier dus om de koopkracht op individueel niveau, in tegenstelling tot de pagina Bevolking, economie en leefomgeving, die de koopkracht van huishoudens beschrijft.

De Gini-coëfficiënt is een maat voor de inkomensongelijkheid. Zij bereikt de waarde 1 als één persoon/huishouden al het inkomen in het land krijgt en heeft de waarde 0 als iedereen precies evenveel inkomen heeft. Door de wijze waarop de Gini wordt berekend, is deze maat vooral gevoelig voor verschillen in het midden van de inkomensverdeling.

De Theil-coëfficiënt is ook een maat voor de inkomensongelijkheid. Zij heeft eveneens een waarde van 0 bij totale gelijkheid, maar het maximum is gelijk aan de logaritme van het aantal waarnemingen en in principe dus onbegrensd. Door de wijze van berekenen is de Theil-coëfficiënt vooral gevoelig voor verschillen tussen de hogere inkomens.

Gini-coëfficiënt: 2013 = 0,259; 2018 = 0,259. Theil-coëfficiënt: 2013 = 0,144; 2018 = 0,144.

Het SCP heeft de armoedegrens in 2017 opnieuw bepaald en heeft veranderingen aangebracht in manier waarop armoede wordt gemeten (Goderis et al. 2018). De vorige reeks liep van 2001 tot en met 2014. De huidige vangt in 2011 aan. Omdat deze twee reeksen lastig te vergelijken zijn, is ervoor gekozen alleen de armoedecijfers volgens de nieuwe methode te publiceren. Volgens de oude reeks daalt het armoedepercentage tussen 2009 en 2010 nog enigszins, om daarna snel op te lopen tot 2013 (Hoff et al. 2016).

De daling van de koopkracht begint in 2010.

Alleenstaande ouders hebben door deze regeling recht op uitbreiding van het kindgebonden budget van enkele duizenden euro’s per jaar.

Bij de Organisation for Economic Co-operation and Development (OECD) zijn 35 landen aangesloten, waaronder Nederland. Het doel van de organisatie is economische groei en handel te stimuleren.

Dit zijn spaar- en beleggingshypotheken.

Met dit kengetal wordt de ongelijkheid van een verdeling aangegeven. De Gini bereikt de waarde 1 als één persoon/huishouden al het vermogen in het land heeft en heeft de waarde 0 als iedereen precies evenveel vermogen heeft.

Tot 2016/’17 konden we een consistente reeks presenteren van de tevredenheid van mensen met hun huishoudinkomen (zie bv. De sociale staat van Nederland 2018). De vraagstelling daarvan is vanaf 2018 echter veranderd.

Volgens een andere databron dan in de figuur hieronder was het aandeel van de bevolking dat de eigen financiële situatie een voldoende geeft in april 2020 iets hoger dan in januari dat jaar (Dekker et al. 2020; gegevens uit het Continu onderzoek burgerperspectieven). Voor specifieke subgroepen kan dat anders liggen.

Bij uitkeringsontvangers lijkt de ontwikkeling van de tevredenheid sneller te gaan. Deze groep is hier echter inclusief prepensioen.