De sociale staat van Nederland 2020

10 / 12

Gezondheid

Auteurs: Sjoerd Kooiker en Anna Maria Marangos

De meeste Nederlanders beoordelen hun eigen gezondheid als goed of zeer goed. Tussen bevolkingsgroepen zien we hierin wel verschillen: vooral ouderen en lageropgeleiden beoordelen hun gezondheid minder vaak dan gemiddeld als (zeer) goed. Lichamelijke beperkingen komen meer voor onder 65-plussers dan onder andere leeftijdscategorieën en laag psychisch welbevinden zien we vooral bij mensen met een laag inkomen. Onder mannen is de levensverwachting tussen 2008 en 2019 met ruim 2 jaar gestegen en onder vrouwen met ruim 1 jaar. De verschillen in levensverwachting tussen mannen en vrouwen worden kleiner en hier zijn vooral rookgewoonten uit het verleden verantwoordelijk voor. We leven langer maar niet een groter deel van het leven in goede gezondheid. Onder ouderen is het beeld anders: voor hen gaat de winst in levensverwachting wel samen met een groter deel van het resterende leven in goede gezondheid.

Bij de psychische gezondheid zien we voor de bevolking als geheel een dalende trend in het percentage gezonde jaren. Onder mannen vanaf 65 jaar zien we een stijging van de levensverwachting in goed psychisch welbevinden. Een mogelijk gevolg van de coronacrisis kan zijn dat de verschillen in levensverwachting tussen mannen en vrouwen sneller gaan afnemen.

Ervaren gezondheid minder goed onder lageropgeleiden

Hoewel de meeste Nederlanders (bijna 79%) hun eigen gezondheid als goed of zeer goed inschatten, zien we opvallende verschillen tussen subgroepen in de bevolking. Dat jongeren voor een heel groot deel gezond zeggen te zijn en ouderen dat minder doen, is te verwachten. Opvallend is wel dat weinig lageropgeleiden een goede gezondheid rapporteren en mensen met een hoog inkomen dat juist erg vaak doen.

Onder jongeren komt een als goed ervaren gezondheid het meest voor, onder lageropgeleiden het minst

geslacht
vrouw 76.3
man 81,2
leeftijd
<18 jaar 93,8
18-34 jaar 86,3
35-64 jaar 74,7
≥ 65 jaar 62,7
opleidingb
lager opgeleid 58,8
middelbaar opgeleid 75
hoger opgeleid 84,3
inkomensklasse
laagste 20% 66,8
middelste 60% 78,4
hoogste 20% 87,2
herkomst
autochtone Nederlander 79,3
westerse migratieachtergrond 77,4
niet-westerse migratieachtergrond 76,4

an = 7023-9778.

bVoor opleiding is een selectie gemaakt van personen van 25 jaar en ouder. Vanaf die leeftijd is de kans groter dat een opleiding voltooid is.

Bron:CBS maatwerktabel op basis van de Gezondheidsenquête 2019

De gezondheidsenquête

Om na te gaan hoe er in de Nederlandse bevolking over de eigen gezondheid gedacht wordt, vraagt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) in een doorlopend onderzoek aan een steekproef uit de bevolking in particuliere huishouders hoe gezond men zich voelt. Er doen jaarlijks ongeveer 9500 mensen van alle leeftijden mee. Voor kinderen tot 12 jaar wordt dit aan de ouders of verzorgers gevraagd.

Levensverwachting voor mannen meer gestegen dan voor vrouwen

De levensverwachting is een goede gezondheidsmaat om veranderingen in de gezondheidstoestand van de bevolking te bekijken.

Berekening van de levensverwachting

De levensverwachting wordt door het CBS berekend op basis van de sterftecijfers voor verschillende leeftijden over een bepaalde periode (meestal een jaar) (zie Stoeldraijer en Harmsen 2017). De levensverwachting geeft aan hoeveel levensjaren iemand te verwachten heeft bij de geboorte (of vanaf een andere leeftijd, bijvoorbeeld 65 jaar), aangenomen dat de kans om te overlijden constant blijft op het niveau van dat gemeten jaar. Dat is waarschijnlijk niet zo, maar dit is wel een goed uitgangspunt om op een uniform en vergelijkbaar cijfer uit te komen.

We kijken naar de levensverwachting voor de periode 2008-2019. In deze periode zien we een andere ontwikkeling bij mannen en vrouwen. Vrouwen hebben een hogere levensverwachting dan mannen bij de geboorte, maar de levensverwachting van mannen is in deze periode meer toegenomen (met 2,1 jaar) dan die van vrouwen (toename van 1,3 jaar). De verschillen in levensverwachting tussen mannen en vrouwen worden dus kleiner, van 4 jaar verschil in 2008 naar 3,1 jaar in 2019. Deze verschillen en de veranderingen daarin zijn in Nederland vooral toe te schrijven aan de verschillen in rookgewoonten tussen mannen en vrouwen in heden en verleden en de sterfte die daarmee gepaard gaat (Janssen 2020; Janssen en Van Poppel 2015; Luy en Wegner-Siegmundt 2015).

Verschillen in rookgewoonten en verschillen in sterfte tussen mannen en vrouwen

Het is altijd zo geweest dat er meer mannen dan vrouwen roken, maar de verschillen zijn in de loop van de jaren kleiner geworden. Er was een tijd dat bijna alle mannen rookten, terwijl het percentage rokers onder vrouwen nooit hoger is geweest dan 42% (Janssen en Van Poppel 2015). De toename van het roken onder vrouwen is ook van recenter datum. In 1963 rookte 82% van de mannen en 32% van de vrouwen en in 1970 rookte 75% van de mannen en 42% van de vrouwen (personen van 15 jaar en ouder (STIVORO 2012)). In 2019 rookte ruim 25% van de volwassen mannen en 18% van de volwassen vrouwen (Bommelé en Willemsen 2020). Die gedragsverschillen sloegen neer in sterfteverschillen en (grote) verschillen in levensverwachting. Aan het eind van de jaren 20 van de vorige eeuw waren de verschillen in levensverwachting tussen mannen en vrouwen laag, de levensverwachting van vrouwen was ongeveer anderhalf jaar hoger dan mannen. Dit verschil nam vooral vanaf de jaren vijftig sterk toe tot een verschil in levensverwachting van 6,7 jaar in 1982 in het voordeel van vrouwen. Daarvan was ongeveer 6 jaar het gevolg van verschillen in de aan roken gerelateerde sterfte (Janssen en Van Poppel 2015). In de decennia daarna daalde het verschil in levensverwachting tussen mannen en vrouwen gestaag en daalde ook het aantal jaren dat daarvan aan roken toe te schrijven is tot 2,2 jaar in 2012 (Janssen en Van Poppel 2015, maar voor een iets andere schatting zie: Luy en Wegner-Siegmundt 2015). Voor mannen bereikte de aan roken toe te schrijven sterfte een hoogtepunt rond 1980 maar voor vrouwen komt dat maximum binnenkort (Janssen 2020). Een logisch gevolg van de verschillen in rookgewoonten tussen mannen en vrouwen in de decennia daarvoor.

Hetzelfde beeld zien we voor de levensverwachting vanaf 65 jaar. Vrouwen hebben vanaf 65 jaar meer jaren te verwachten dan mannen, maar de toename tussen 2008 en 2019 is groter voor mannen (1,6 jaar) dan voor vrouwen (0,8 jaar). Dat resulteert ook hier in een kleiner verschil in 2019 van 2,4 jaar in vergelijking met 2008 toen dit verschil 3,2 jaar was.

Levensverwachting neemt onder mannen meer toe dan onder vrouwen

vanaf de geboorte 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
vrouw 82,3 82,7 82,7 82,9 82,8 83 83,3 83,1 83,1 83,3 83,33 83,56
man 78,3 78,5 78,8 79,2 79,1 79,4 79,9 79,7 79,9 80,1 80,16 80,46
vanaf 65 jaar 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
vrouw 20,9 21,2 21,2 21,3 21,2 21,4 21,6 21,4 21,4 21,5 21,46 21,67
man 17,6 17,8 18 18,3 18,3 18,4 18,9 18,6 18,8 19 19,01 19,24

Bron:CBS (StatLine)

Voor ouderen gaat een langer leven samen met een hoger percentage gezonde jaren

De levensverwachting kent als gezondheidsmaat alleen het onderscheid tussen leven en dood. Dat is natuurlijk een zeer beperkte manier om naar gezondheid te kijken. Het is ook mogelijk om naar gezondheidsmaten te kijken die rekening houden met de kwaliteit van leven. Een van deze maten is de ‘levensverwachting in als goed ervaren gezondheid’. Deze maat geeft aan hoeveel jaren iemand in goede gezondheid mag verwachten te leven vanaf 0 jaar of vanaf een andere leeftijd, waarbij 65 jaar gebruikelijk is. Dit onderscheid maken we hier ook omdat de ontwikkelingen onder ouderen in de laatste decennia anders zijn dan voor de bevolking als geheel.

De levensverwachting in de als goed ervaren gezondheid

Om deze maat te berekenen worden de enquêtegegevens over de ervaren gezondheid gecombineerd met de levensverwachting. Deze maat is op te vatten als een samenvattend gemiddelde. Het is daarbij niet zo dat men eerst de gezonde jaren doormaakt en daarna begint aan de niet-gezonde jaren. De niet-gezonde jaren kunnen op verschillende momenten tijdens het leven voorkomen (Saitoa et al. 2014). Het voordeel van deze maat is dat het om een gestandaardiseerd cijfer gaat, waarbij de veranderende leeftijdsopbouw van de bevolking (bijvoorbeeld vanwege de vergrijzing) niet van invloed is op de uitkomst. Het is daardoor goed mogelijk om te kijken naar de trendmatige ontwikkeling over een reeks van jaren. Het toetsen van de verschillen in gezonde levensverwachting en verwante indicatoren is gebaseerd op de methodiek van Jagger et al. (2014).

Iemand die in 2018 geboren werd, kon zo’n 63 jaren in goede gezondheid verwachten. In onderstaande figuur is te zien dat hier sinds 2008 weinig verandering in is opgetreden en dat de verschillen tussen mannen en vrouwen klein zijn. Eerder zagen we dat op zich de levensverwachting tussen 2008 en 2018 wel duidelijk is toegenomen. We zien dan ook dat daardoor het aandeel gezonde jaren in de totale levensverwachting in deze periode kleiner is geworden. Voor mannen bedroeg het percentage gezonde jaren 81,3% in 2008 en dat is gedaald naar 80,1% in 2018. Voor vrouwen ging de daling van 77,2% gezonde jaren in 2008 naar 75,2% in 2018. We leven dus langer, maar daarvan niet een groter deel van ons leven in goede gezondheid.

Bij ouderen zien we een andere ontwikkeling: daar is wel sprake van een toename van het aantal jaren in goede gezondheid. Bij de mannen van 65 jaar zien we een stijging van 10,4 jaar in goede gezondheid in 2008 naar 12 jaar in 2018 (significante toename met p < 0,05); voor vrouwen een stijging van 11,4 jaar in 2008 naar 12,6 jaar in 2018 (maar bij toetsing geen significante toename). Wanneer we vervolgens kijken hoe zowel de levensverwachting als de gezonde jaren zijn toegenomen in de periode 2008-2018, dan zien we voor zowel mannen als vrouwen een stijging van 4 procentpunten in het aandeel van de gezonde jaren tussen 2008 en 2018. Dat aandeel gaat van 59% naar 63,1% voor mannen en van 54,6% naar 58,7% voor vrouwen. Wat voor de bevolking als geheel niet opging zien we wel voor ouderen: voor hen gaat de winst in levensverwachting wel samen met een groter deel van het resterende leven in goede gezondheid.

Weinig verandering in levensverwachting in als goed ervaren gezondheid vanaf geboorte; wel duidelijke toename bij mannen vanaf 65 jaar

vanaf de geboorte 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
vrouw 63,5 63,8 63 63,3 62,6 63,5 64 63,2 63,3 63,8 62,7
man 63,7 65,3 63,9 63,7 64,7 64,6 64,9 64,6 64,9 65 64,2
vanaf 65 jaar 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
vrouw 11,4 11,2 11,1 11,3 11,2 11,6 11,9 12,2 12,7 13,2 12,6
man 10,4 11,6 11,3 10,9 11,2 11,5 11,5 11,7 11,8 12,2 12

Bron:CBS (StatLine)

Lichamelijke beperkingen komen onder lageropgeleiden relatief veel voor

Een van de gevolgen van een minder goede gezondheid kan zijn dat men met fysieke beperkingen te maken heeft. Denk hierbij aan beperkingen in mobiliteit, beweging en zintuigelijke waarneming die voor het dagelijks leven van groot belang zijn. Om de beperkingen in dit functioneren in een samenvattend getal uit te drukken wordt vaak de indicator gebruikt die door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) is ontwikkeld. Deze maat is gebaseerd op vaardigheden voor het dagelijks leven die mensen normaal beheersen, zo nodig met hulpmiddelen zoals een bril of hoorapparaat (zie Van Sonsbeek 1988).

De OESO-indicator voor het meten van lichamelijke beperkingen

De OESO-indicator is gebaseerd op 7 vragen over vaardigheden die mensen normaal beheersen, zo nodig met hulpmiddelen zoals een bril of hoorapparaat. Het gaat niet om tijdelijke problemen. De vragen worden gesteld aan personen van 12 jaar en ouder. Bij onderstaande 7 vaardigheden wordt steeds gevraagd of iemand dit kan.

  1. Een gesprek volgen in een groep van 3 of meer personen (zo nodig met hoorapparaat)?
  2. Met 1 andere persoon een gesprek voeren (zo nodig met hoorapparaat)?
  3. Kleine letters in de krant lezen (zo nodig met bril of contactlenzen)?
  4. Op een afstand van 4 meter het gezicht van iemand herkennen (zo nodig met bril of contactlenzen)?
  5. Een voorwerp van 5 kilo, bijvoorbeeld een volle boodschappentas, 10 meter dragen?
  6. Rechtopstaand kunnen bukken en iets van de grond oppakken?
  7. 400 meter aan een stuk lopen zonder stil te staan (zo nodig met stok)?

De antwoordmogelijkheden voor deze vragen zijn: zonder moeite, met enige moeite, met grote moeite, kan niet.

Gemeten volgens deze OESO-indicator heeft bijna 12% van de bevolking één of meer beperkingen in het lichamelijk functioneren. We zien dat het aandeel met één of meer lichamelijke beperkingen in bepaalde bevolkingsgroepen groter is dan in andere. Verschillen naar leeftijd, opleiding en inkomen zijn het grootst. Onder 65-plussers en lageropgeleiden is het aandeel met één of meer lichamelijke beperkingen het grootst. Dit aandeel is het kleinst bij mensen onder de 35 jaar, hogeropgeleiden en personen met een hoog inkomen.

Lichamelijke beperkingen het vaakst bij 65-plussers en lageropgeleiden

geslacht
vrouw 15,3
man 8,4
leeftijd
<18 jaar 3,4
18-34 jaar 3,1
35-64 jaar 10,4
≥ 65 jaar 28,3
opleidingb
lager opgeleid 26,7
middelbaar opgeleid 11
hoger opgeleid 6,2
inkomensklasse
laagste 20% 21,2
middelste 60% 11,8
hoogste 20% 6,1
herkomst
autochtone Nederlander 11,4
westerse migratieachtergrond 12,9
niet-westerse migratieachtergrond 14,1

an = 7017-8503.

bVoor opleiding is een selectie gemaakt van personen van 25 jaar en ouder. Vanaf die leeftijd is de kans groter dat een opleiding voltooid is.

Bron:CBS maatwerktabel op basis van de Gezondheidsenquête 2019

Voor ouderen zijn de resterende jaren zonder lichamelijke beperkingen sterk gestegen

Op dezelfde manier als voor de ervaren gezondheid kan ook worden berekend hoeveel jaren iemand vanaf zijn geboorte (of een andere leeftijd) mag verwachten te leven zonder matige of ernstige lichamelijke beperkingen. Dit doen we door de gegevens over lichamelijke beperkingen te combineren met gegevens over de levensverwachting .

In 2018 mochten mannen ruim 73 jaar zonder matige of ernstige lichamelijke beperkingen verwachten, en vrouwen bijna 71 jaar (een statistisch significant verschil). Onder mannen was er een duidelijke (statistisch significante) gezondheidsverbetering waar te nemen tussen 2008 en 2018 van 70,9 naar 73,1 jaar. Onder vrouwen was de toename kleiner van 69,5 naar 70,8 jaar en niet statistisch significant. Het aandeel van de jaren zonder beperkingen op de gehele levensverwachting schommelt bij mannen rond de 91% en bij vrouwen rond de 85% .

Opnieuw zien we voor ouderen een andere ontwikkeling. Nu is zowel voor mannen als vrouwen in de periode 2008-2018 een duidelijke en statistisch significante toename te zien in de levensverwachting zonder beperkingen vanaf 65 jaar. Voor mannen ging het om een stijging van 12,4 jaar naar 14,7 jaar en voor vrouwen om een stijging van 11,4 jaar naar 13,5 jaar zonder beperkingen. Het aandeel van de jaren zonder beperkingen in de resterende levensverwachting van 65-jarigen neemt sterk toe tussen 2008 en 2018, van ruim 70% naar ruim 77% voor mannen en van bijna 55% naar bijna 63% voor vrouwen. Deze cijfers laten ook zien dat vrouwen wel langer leven dan mannen, maar dat zij een groter deel van dat resterende leven lichamelijke beperkingen kunnen verwachten. Bij de levensverwachting op 65-jarige leeftijd is dit verschil veel groter dan bij de levensverwachting bij de geboorte.

Levensverwachting zonder matige of ernstige lichamelijke beperkingen neemt toe voor mannen vanaf de geboorte en vanaf 65 jaar voor zowel mannen als vrouwen

vanaf de geboorte 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
vrouw 69,5 69,9 69,7 70 69,5 70,5 69,5 69,4 70,5 70,7 70,8
man 70,9 71,2 70,2 71,1 71,9 71,2 72,1 72,4 72,4 73,2 73,1
vanaf 65 jaar 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
vrouw 11,4 12,2 12,9 13,4 12,9 14,1 12,1 11,9 13,1 13,1 13,5
man 12,4 12,9 13,1 13,9 14,2 13,6 13,6 14 14,2 14,5 14,7

Bron:CBS (StatLine)

Psychisch welbevinden laag onder mensen met een laag inkomen

De ervaren gezondheid en het hebben van beperkingen zeggen vooral iets over het lichamelijk welbevinden van mensen. In aanvulling daarop kijken we ook naar het psychisch welbevinden. In de bevolking van 12 jaar en ouder rapporteerde 11,5% in 2019 een laag psychisch welbevinden over de afgelopen 4 weken. Aan de tabel valt op dat het niet zo is dat een laag psychisch welbevinden samengaat met een hogere leeftijd. Onder mensen met een laag inkomen komt een laag psychisch welbevinden het meeste voor.

Het meten van psychisch welbevinden

Om het psychisch welbevinden in kaart te brengen, gebruiken we gegevens van het CBS over de psychische (on)gezondheid. Het CBS berekent deze met behulp van de Mental Health Inventory 5 (MHI-5). De vijf MHI-vragen hebben betrekking op hoe men zich voelde (zenuwachtig, in de put, kalm, rustig, neerslachtig, somber of gelukkig) in de afgelopen 4 weken (Driessen 2011). Omdat deze vragen eigenlijk meer zeggen over psychisch welbevinden dan over psychische gezondheid, houden we hier de term ‘psychisch welbevinden’ aan.

Onder mensen met een laag inkomen komt een laag psychisch welbevinden het meest voor

geslacht
vrouw 13,6
man 9,3
leeftijd
<18 jaar 8,3
18-34 jaar 12,9
35-64 jaar 12
≥ 65 jaar 10
opleidingb
lager opgeleid 17,1
middelbaar opgeleid 10,2
hoger opgeleid 8,5
inkomensklasse
laagste 20% 23,5
middelste 60% 10,4
hoogste 20% 6,7
herkomst
autochtone Nederlander 10,2
westerse migratieachtergrond 13,6
niet-westerse migratieachtergrond 17,6

an = 7004-8489.

bVoor opleiding is een selectie gemaakt van personen van 25 jaar en ouder. Vanaf die leeftijd is de kans groter dat een opleiding voltooid is.

Bron:CBS maatwerktabel op basis van de Gezondheidsenquête 2019

Levensverwachting in goed psychisch welbevinden: dalende trend in percentage gezonde jaren

Ook hier kunnen we door een combinatie van gegevens over psychisch welbevinden en levensverwachting berekenen hoeveel jaren men (bij de geboorte of vanaf een andere leeftijd) mag verwachten te leven in goed psychisch welbevinden. Er zijn hierbij slechts kleine verschillen tussen mannen en vrouwen: beide seksen mogen ongeveer 73 jaar in goed psychisch welbevinden verwachten (mannen 73,4 en vrouwen 72,3 jaar). De levensverwachting in goed psychisch welbevinden liet voor mannen eerst een significante daling tot 2013 zien, gevolgd door een geringe stijging . Vanwege de stijgende algemene levensverwachting daalde het aandeel psychisch gezonde jaren in de levensverwachting van mannen uiteindelijk van bijna 95% naar bijna 92%. Onder vrouwen is over de gehele periode sprake van een gestage en significante daling van de levensverwachting in goed psychisch welbevinden (p < 0,05). Ook het aandeel psychisch gezonde jaren nam af van ruim 90% naar bijna 87%. Voor beide seksen daalt het percentage jaren in goed psychisch welbevinden dus met ongeveer 3 procentpunten.

Ook bij het psychisch welbevinden zien we voor ouderen een andere ontwikkeling dan voor de bevolking als geheel. Voor mannen is de levensverwachting in goed psychisch welbevinden vanaf 65 jaar significant gestegen tussen 2008 en 2018, en wel van 16,1 jaar naar 17,3 jaar. De levensverwachting vanaf 65 jaar steeg ook. Het aandeel jaren in goed psychisch welbevinden is zowel in 2008 als 2018 ongeveer 91%. Vrouwen hebben vanaf 65 jaar meer jaren in psychisch welbevinden te verwachten dan mannen, namelijk 18,5 jaar tegenover 17,3 jaar bij de mannen (significant verschil p < 0,05). Vrouwen leven ook langer dan mannen en het aandeel jaren in psychisch welbevinden in de resterende jaren is voor vrouwen van 65 jaar lager dan mannen en wel ruim 86% in 2018 (dat was ruim 85% in 2008). Het aantal jaren in goed psychisch welbevinden nam gering (en niet significant) toe van 17,8 in 2008 naar 18,5 in 2018. Voor vrouwen vanaf 65 jaar is de stijging in zowel de levensverwachting als het aandeel daarvan in goed psychisch welbevinden dus vrij klein.

Levensverwachting in goed psychisch welbevinden vanaf geboorte geleidelijk gedaald voor vrouwen; vanaf 65 jaar gestegen voor mannen

vanaf de geboorte 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
vrouw 74,3 73,6 72,7 73,4 72,6 73,5 73,3 73,6 72,5 73,7 72,3
man 72,4 74,1 73,7 72,4 72,6 73 72,2 73,6 73,9 73,7 73,4
vanaf 65 jaar 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
vrouw 17,8 17,7 17,7 18,1 18,1 18,4 18,6 18,7 18,1 18,5 18,5
man 16,1 16,4 16,2 16,9 16,8 16,6 17,4 17,5 17,5 17,9 17,3

Bron:CBS (StatLine)

Gezondheidseffecten van de coronacrisis

Recent onderzoek uit 2020 laat zien dat de ervaren gezondheid van de bevolking op korte termijn niet verslechterde tijdens de coronacrisis (De Klerk et al. 2020; CBS 2020) . Wel was er in juli 2020 een lichte stijging van het aandeel mensen met een laag psychisch welbevinden (De Klerk et al. 2020). Het is op dit moment moeilijk om een inschatting te maken van de gevolgen die de coronacrisis op de langere termijn heeft voor de gezondheidstoestand van de bevolking. We hebben immers te maken met een infectieziekte die nog niet uitgewoed is. De directe gevolgen in ziekte en sterfte op de lange termijn en de indirecte economische en sociale gevolgen op de lange termijn zijn daarom nog grotendeels onbekend. Daarom kijken we hieronder naar de vraag hoe inzichten uit crises uit het verleden ons kunnen helpen om in te schatten welke gezondheidseffecten (op sterfte en levensverwachting) er op langere termijn te verwachten zijn. Allereerst kijken we naar de effecten van een pandemie, in dit geval de Spaanse griep van 1918. Daarnaast kijken we naar de effecten van de economische crisis van 2008, omdat de coronacrisis ook tot een economische neergang leidt. Hieruit blijkt dat een mogelijk gevolg van de coronacrisis kan zijn dat de verschillen in levensverwachting tussen mannen en vrouwen sneller afnemen. Afgaande op de gezondheidseffecten van de economische crisis van na 2008, mogen we verwachten dat 1 procentpunt meer werkloosheid zal samengaan met 0,5% verlaging van de algemene sterfte, maar ook met 1% meer suïcides bij personen onder de 65 jaar.

Gezondheidseffecten na de coronacrisis, lessen uit eerdere crises

Inzichten uit de eerdere pandemie van 1918: sterfteverschillen tussen mannen en vrouwen

Voor de enige pandemie die in aard en ernst vergelijkbaar is met de coronapandemie moeten we ver teruggaan in de tijd, en wel naar de Spaanse griep van 1918-1920. Voor de westerse landen is de sterfte aan de Spaanse griep geschat op 0,5% van de bevolking (Coutinho 2020). Dat lijkt een laag percentage, maar omdat deze pandemie de hele wereld over ging was het totaal aantal doden niettemin erg hoog. Schattingen variëren, maar 50 miljoen sterfgevallen wereldwijd is een veelgehoord aantal (Countinho 2020) .

Wat gebeurde er nadat de Spaanse griep voorbijgetrokken was? In The Pale Rider: The Spanish Flu of 1918 and How It Changed the World (2017: 216) schrijft Laura Spinney dat er na de pandemie een kleinere maar gezondere bevolking overbleef die weer snel groeide door hoge geboortecijfers. Dat laatste klopte in ieder geval ook voor Nederland. Het aantal geboorten in Nederland steeg van 164.000 in 1919 met 29.000 naar 193.000 in 1920. Het aantal sterfgevallen was 2 jaar daarvoor, mede door de griep, gestegen van 87.000 in 1917 naar 115.000 in 1918 (CBS 2010). Omdat in de Verenigde Staten zoveel meer mannen dan vrouwen aan de griep overleden (waarna er in aantal minder, maar wel gezondere mannen overbleven) daalde het verschil in levensverwachting tussen mannen en vrouwen van bijna 6 jaar vlak voor de pandemie naar 1 jaar in het jaar erna (zie Spinney 2017: 217, maar ook Noymer en Garenne 2000). Zulke grote verschillen deden zich bij ons niet voor. In Nederland was het verschil in sterfte tussen mannen en vrouwen veel kleiner en de daling van het verschil in levensverwachting verliep geleidelijk van ruim 2 jaar in 1917 naar 1,3 jaar in 1922 (Databron: Human mortality database, te raadplegen via: www.mortality.org).

Tijdens de coronapandemie sterven ook in Nederland meer mannen dan vrouwen. Tussen de 65 en 85 jaar is 62% van de overledenen man (RIVM 2020). Het is deze leeftijdscategorie die sinds 2010 het meest heeft bijgedragen aan de toename van de levensverwachting bij de geboorte in 24 landen van de OESO (Ho 2020). Als de komende tijd vooral de gezondere mannen in deze leeftijdscategorie overleven is wellicht ook nu te verwachten dat de levensverwachting van mannen en vrouwen elkaar in de komende jaren meer gaat naderen dan zonder de coronapandemie al te verwachten was.

Inzichten uit de economische crisis van 2008

Onderzoeken van gezondheidseconomen laten zien dat een economische crisis in rijke landen vaak niet samengaat met een verhoging van de sterfte, maar juist met een daling daarvan. Een studie onder 27 Europese landen die de periode 2004-2007 met 2007-2010 vergelijkt, vindt dat een procentpunt stijging van het werkloosheidspercentage samengaat met 0,5% daling van het (voor leeftijd gecorrigeerde) sterftecijfer (Granados en Ionides 2017). In de landen waar de recessie het hardste toesloeg was de daling in de algemene sterfte het grootst. Landen met een milde recessie (o.a. Nederland) zagen 4,3% daling in de sterfte, landen met een gematigde recessie (o.a. Denemarken, Zweden en Italië) zagen 6,4% daling en de zwaarst getroffen landen (o.a. Spanje en Griekenland) zagen 10,5% daling in de sterfte. De verklaring wordt gezocht in minder verkeersdoden, minder doden gerelateerd aan milieuvervuiling, minder stress op het werk, minder ongelukken op het werk , minder overwerk, meer tijd om te slapen, meer sociale interactie en meer fysieke activiteit. Ziektekiemen verspreiden zich minder omdat er minder gereisd wordt. Ook sociaal-economische gezondheidsverschillen bleken in Europa niet groter te zijn geworden na de crisis van 2008 (Mackenbach et al. 2018).

Een afwijkend patroon vonden de gezondheidseconomen wel voor dood door suïcide. Hoe zit dat? Uit een andere bron weten we dat er in de jaren na 2000 in het algemeen sprake is van een wereldwijd dalende trend in de sterfte door suïcide, die wordt toegeschreven aan betere psychiatrische zorg (Alicandro et al. 2019). Wat de economische crisis betreft, steeg de werkloosheid tussen 2008 en 2015 duidelijk in Griekenland, Nederland, Italië en Spanje. Dat ging samen met een overeenkomstige stijging van de sterfte aan suïcide in Griekenland en Nederland en een afvlakking van de dalende trend in Italië en Spanje (Alicandro et al. 2019: 793). Vooral in landen waar de werkloosheid voor de crisis laag was, is er sprake van een ‘crisiseffect’ op de suïcidecijfers. Dan gaat het om Griekenland, Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Schattingen op basis van een panelstudie in 275 regio’s van 29 Europese landen laten zien dat een stijging van 1 procentpunt in werkloosheid samengaat met een ongeveer 1% hoger aantal zelfmoorden van mensen onder de 65 jaar (Breuer 2015). Ook blijkt dat reële economische groei samengaat met een lager suïcidecijfer onder mannen in de werkzame leeftijd. Het zelfmoordcijfer onder ouderen (65-plussers) bleek niet te veranderen onder invloed van de crisis. Kort samengevat kunnen we concluderen dat een stijging van de werkloosheid met 1 procentpunt samengaat met een daling van 0,5% van de algemene sterfte, maar ook met een stijging van ongeveer 1% van het aantal zelfmoorden van personen onder de 65 jaar.

De resultaten van onderzoek naar de gevolgen van de economische crisis voor de psychische gezondheid zijn verre van eenduidig. Een Europese studie die gebruikmaakt van de European Social Survey (ESS) laat positieve resultaten zien: in 10 van de 15 landen die aan het onderzoek meededen steeg het welbevinden in de periode 2008-2010 (Lopes et al. 2014). Ook in Nederland was dat het geval. Een uitgebreider Europees onderzoek naar depressieve gevoelens laat zien dat tussen 2006 en 2014 in de meeste van de 21 onderzochte landen in 2012 minder depressieve gevoelens in de steekproef voorkomen dan in 2006 (Reibling et al. 2017). Alleen in Cyprus en Spanje is dat niet het geval. In Spanje was de werkloosheid ook heel sterk gestegen van ruim 11% in 2008 naar 25% in 2012 (Boelhouwer et al. 2015). Vervolgens zien we in de meeste landen, waaronder Nederland, een verdere daling van deze symptomen tussen 2012 naar 2014. En dat is in Nederland niet alleen voor het totaal van de steekproef zo, maar ook voor subgroepen met een laag inkomen, of ondervraagden die werkloos zijn. De studie concludeert dan ook dat er geen algemene toename van depressieve gevoelens was in verband met de economische crisis en dat er ook geen toename van gezondheidsongelijkheid was ten gevolge van de crisis. Het lijkt erop dat vooral een heel sterkte toename van de werkloosheid zoals in Spanje heeft geleid tot een toename van depressieve gevoelens.

Deze positieve resultaten stroken niet met de onderzoeksbevindingen van het CBS. Daarin zagen we juist dat een psychisch lager welbevinden voor verschillende bevolkingsgroepen toenam tussen 2008 en 2018 (Marangos en Kooiker 2019). Wanneer we daarbij kijken naar welbevinden met een onderverdeling naar opleidingsniveau en inkomen, zien we een gestage toename van het psychisch on-welbevinden onder de lagere inkomens en de lageropgeleiden. Onder de midden- en hogere inkomens en opleidingsgroepen is de ontwikkeling voor een groot deel van de periode 2008-2018 bijna vlak te noemen (Marangos en Kooiker 2019). Voorheen zagen we dat de levensverwachting in goede psychisch welbevinden onder mannen daalde tussen 2008 en 2013 en daarna weer licht steeg.

Literatuur

Alicandro, Gianfranco, Matteo Malvezzi, Silvano Gallus, Carlo La Vecchia, Eva Negri en Paola Bertuccio (2019). Worldwide trends in suicide mortality from 1990 to 2015 with a focus on the global recession time frame. In: International Journal of Public Health, jg. 64, nr. 5, p. 785-795.

Boelhouwer, J., G. Kraaykamp en I. Stoop (red.) (2015). Nederland in Europees perspectief: Tevredenheid, vertrouwen en opinies. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Bommelé, Jeroen en Marc Willemsen (2020). Kerncijfers roken 2019. Utrecht: Trimbos-instituut. Geraadpleegd 5 augustus 2020 via https://www.trimbos.nl/docs/452115a7-4a93-4bd4-877a-ae4a7a4d1257.pdf.

Breuer, C. (2015). Unemployment and suicide mortality: evidence from regional panel data in Europe. In: Health Economics, jg. 24, p. 936–950.

Bruggink, J. W. (2010). De verschillende dimensies van de levensverwachting zonder lichamelijke beperkingen. Bevolkingstrends, 3e kwartaal 2010, p. 36-43. Geraadpleegd 4 augustus 2020 via https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2010/41/de-verschillende-dimensies-van-de-levensverwachting-zonder-lichamelijke-beperkingen.

CBS (2010). 111 Jaar statistiek in tijdreeksen, 1899–2010. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd 21 juli 2020 via https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2010/35/111-jaar-statistiek-in-tijdreeksen-1899-2010.

CBS (2020). Gezondheid. Geraadpleegd 7 september 2020 via https://www.cbs.nl/nl-nl/visualisaties/welvaart-in-coronatijd/gezondheid/.

Coutinho, R. (2020). Epidemieën en pandemieën. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep (Elementaire Deeltjes 67).

Driessen, M. (2011). Geestelijke ongezondheid in Nederland in kaart gebracht. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Granados, J.A.T. en E.L Ionides (2017). Population health and the economy: Mortality and the Great Recession in Europe. In: Health Economics, jg. 26, nr. 12, p. 219-235.

Ho, Jessica Y. (2020). Causes of gains and losses in life expectancy in OECD countries. In: OECD/The King's Fund. Is Cardiovascular Disease Slowing Improvements in Life Expectancy? Parijs: OECD Publishing. Geraadpleegd 5 augustus 2020 via https://doi.org/10.1787/47a04a11-en.

Jagger, C., H. van Oyen en J.M. Robine (2014). Health expectancy calculation by the Sullivan method. A practical guide. Geraadpleegd 5 augustus 2020 via https://reves.site.ined.fr/en/resources/computation_online/sullivan/.

Janssen, F. en F. van Poppel (2015). The Adoption of Smoking and Its Effect on the Mortality Gender Gap in Netherlands: A Historical Perspective. In: Biomed Research International. Geraadpleegd 10 augustus 2020 via https://doi.org/10.1155/2015/370274.

Janssen, F. (2020). Similarities and Differences Between Sexes and Countries in the Mortality Imprint of the Smoking Epidemic in 34 Low-Mortality Countries, 1950-2014. In: Nicotine & Tobacco Research, jg. 22, nr. 7, p. 1210-1220.

Klerk, M. de, I. Plaisier en F. Wagemakers, m.m.v. J. Iedema, E. Josten en J. Schaper (2020). Welbevinden ten tijde van corona. Eerste bevindingen op basis van een bevolkingsenquête uit juli 2020. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Lopes, H., T. Calapez en C. Porto (2014). Does the macroeconomic context influence subjective well-being in Europe and Portugal? The puzzling case of the 2008 crisis. In: Portuguese Journal of Social Science, jg. 13, nr. 1, p. 3–19.

Luy, Marc en Christian Wegner-Siegmundt (2015) The impact of smoking on gender differences in life expectancy: more heterogeneous than often stated. In: European Journal of Public Health, jg. 25, nr. 4, p. 706-710.

Mackenbach, J.P., J.R. Valverde, B. Artnik, M. Bopp, H. Brønnum-Hansen, P. Deboosere, R. Kalediene, K. Kovács, M. Leinsalu, P. Martikainen, G. Menvielle, E. Regidor, J. Rychtaříková, M. Rodriguez-Sanz, P. Vineis, C. White, B. Wojtyniak, Y. Hu, W.J. Nusselder (2018). Health inequalities before and after the financial crisis: trend study of 27 European countries. In: PNAS, jg. 115, nr. 25, p. 6440–6445.

Marangos, Anna Maria en Sjoerd Kooiker (2019). Gezondheid en zorg. In: Annemarie Wennekers, Jeroen Boelhouwer, Cretien van Campen, Jeanet Kullberg (red.) (2019), De sociale staat van Nederland 2019. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

Melker, R. A. de (2005). De huisarts en ‘de Spaansche griep’ 1918-1920. In: Huisarts en Wetenschap jg. 48, nr. 13, p. 684-688.

Noymer, A. en M. Garenne. (2000). The 1918 Influenza Epidemic's Effects on Sex Differentials in Mortality in the United States. In: Population Development Review, jg. 26, nr. 3, p.565-81.

Reibling, Nadine , Jason Beckfield, Tim Huijts, Alexander Schmidt-Catran, Katie H. Thomson en Claus Wendt (2017). Depressed during the depression: has the economic crisis affected mental health inequalities in Europe? Findings from the European Social Survey (2014) special module on the determinants of health. In: The European Journal of Public Health, jg. 27(suppl_1), p. 47-54.

RIVM (2020). Ontwikkeling COVID-19 in grafieken. Geraadpleegd 9 juli 2020 via https://www.rivm.nl/coronavirus-covid-19/grafieken.

Saitoa, Y., J.M. Robine en E.M. Crimmins (2014). The methods and materials of health expectancy. In: Statistical Journal of the IAOS, jg. 30, nr. 3, p. 209-223.

Sonsbeek J.L.A. van (1988). Methodische en inhoudelijke aspecten van de OESO-indicator betreffende langdurige beperkingen in het lichamelijke functioneren. In: Maandbericht Gezondheidsstatistiek, jg. 7, nr. 6, p. 4-17.

Spinney, Laura (2017). Pale Rider: The Spanish Flu of 1918 and How It Changed the World. London: Jonathan Cape.

STIVORO (2012). Trendpublicatie percentage rokers. Percentage rokers in de Nederlandse bevolking 1958 - 2011, Den Haag: STIVORO. Geraadpleegd 5 augustus 2020 via https://gezondezorg.org/files/Trendpublicatie%20Percentage%20Rokers%202011.pdf.

Stoeldraijer, L. en C. Harmsen (2017). De levensverwachting meet de sterfte. In: Bevolkingstrends 2017, nr.4. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Deze kaart citeren

Kooiker, S. en A.M. Marangos (2020). Gezondheid. In: De sociale staat van Nederland: 2020. Geraadpleegd op [datum vandaag] via https://digitaal.scp.nl/ssn2020/gezondheid.

Informatie noten

Bij het maken van de berekeningen wordt voor kinderen jonger dan 12 jaar aangenomen dat deze beperkingen niet voorkomen en de bewoners van instellingen worden vergelijkbaar geacht aan personen in particuliere huishoudens. Dit leidt tot een (kleine) overschatting van de levensverwachting zonder beperkingen. Zie ook Bruggink 2010.

Dat in dit percentage geen toename te zien is heeft ermee te maken dat de stijging van de totale levensverwachting en de levensverwachting met beperkingen ongeveer gelijk opgaan.

Er is naar de ontwikkeling bij mannen in dit tijdvak gekeken vanwege de economische crisis, zie ook de paragraaf over de effecten van corona.

De Klerk et al. vonden dat de ervaren gezondheid gelijk bleef ten opzichte van eerdere jaren. Het CBS concludeerde dat het aandeel mensen dat de eigen gezondheid als 'goed' of 'zeer goed' bestempelt in het tweede kwartaal van 2020 een paar procentpunten hoger lag dan in dezelfde periode in het jaar ervoor.

In Nederland bedroeg het aantal slachtoffers direct ten gevolge van de griep in 1918-1920 ruim 21.000 maar door complicaties stierven er nog eens rond 8500 mensen aan andere aandoeningen. In totaal bedroeg de sterfte bijna 30.000 personen (De Melker 2005).

Gemeten aan het werkloosheidspercentage.

Omdat bij hoogconjunctuur onervaren mensen aan het werk gaan.