De sociale staat van Nederland 2020

1 / 12

Bevolking, economie en leefomgeving

Auteurs: Ab van der Torre en Anja Steenbekkers

De leefsituatie van Nederlanders hangt voor een belangrijk deel af van omstandigheden buiten hun directe invloed. Denk bijvoorbeeld aan veranderingen in de bevolkingssamenstelling en de economische situatie. Maar ook klimaat en milieu zijn van belang. We bespreken hier de belangrijkste ontwikkelingen die invloed hebben op de leefsituatie van burgers.

In de afgelopen 11 jaar is de Nederlandse bevolking met 5,2% gegroeid. Het aantal huishoudens groeide bijna 2 keer zo snel doordat het aandeel alleenstaanden steeg. In dezelfde periode was er eerst sprake van een afname van economische groei als gevolg van de economische crisis van 2008-2013. Vanaf 2014 groeide de economie weer, tot 2019. Het bruto binnenlands product (bbp) lag in 2019, vlak voor de coronacrisis begon, bijna 12% boven het niveau van 2008. Vanaf het eerste kwartaal van 2020 is er echter sprake van een sterke achteruitgang als gevolg van de coronacrisis. Ondanks de onverwachte daling blijft het bbp ruim boven het niveau van 2008. Op het gebied van de leefomgeving verloopt de energietransitie traag: nog geen 10% van ons energieverbruik is groen.

De Nederlandse bevolking is toegenomen

De omvang en samenstelling van de Nederlandse bevolking verandert. Dit heeft gevolgen voor verschillende terreinen van de leefsituatie, zoals voor gezondheid, veiligheid, participatie, recreatie en wonen. Zo zorgt de groei van de bevolking er onder meer voor dat de behoefte aan woningen stijgt (zie pagina Wonen). In de periode 2008-2019 is de Nederlandse bevolking toegenomen met 5,2%, van 16,2 miljoen tot 17 miljoen personen. Het aantal huishoudens is echter bijna 2 keer zo sterk gestegen, van ruim 7,2 miljoen naar ruim 7,9 miljoen (toename van 9,4%). Een belangrijke oorzaak is de groei van het aandeel alleenstaanden ten opzichte van meerpersoonshuishoudens. Dat aandeel is onder meer gegroeid door een toename van het aantal echtscheidingen.

Aantal huishoudens groeit bijna 2 keer zo sterk als de bevolking

2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
huishoudens 100 101 102 102,8 103,7 104,5 104,8 105,8 106,6 107,6 108,51 109,43
personen 100 100,5 101 101,5 101,9 102,3 102,4 102,8 103,2 103,9 104,53 105,17

aDe cijfers van 2019 zijn voorlopig.

bExclusief institutionele huishoudens en exclusief personen in institutionele huishoudens.

Bron:CBS (StatLine Bevolking)

De bevolkingsomvang wijzigt door veranderingen in sterfte, aantallen migranten en geboortes. De coronacrisis zou de bevolkingsomvang kunnen beïnvloeden door hogere sterfte als gevolg van COVID-19 of als er door de gesloten grenzen minder immigranten naar Nederland komen. Eind mei 2020 meldt het CBS dat in week 11 tot en met 19 de oversterfte door corona bijna 9000 mensen bedraagt (CBS 2020b). Medewerkers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) en het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) schatten in hun publicatie van 29 juli 2020 op basis van een dynamisch regressiemodel dat de oversterfte in de eerste 11 weken van de corona-epidemie (week 11 tot en met week 21) uitkomt op ruim 10.000 (Husby 2020). Naast elke 10 geregistreerde doden als gevolg van corona overleden er tussen de 5 en 10 mensen aan corona die niet geregistreerd werden.

De vergrijzing neemt toe

De leeftijdsverdeling van de bevolking heeft invloed op de vraag naar publieke voorzieningen. Een relatief jonge bevolking maakt bijvoorbeeld meer gebruik van onderwijs en gezinsuitkeringen, een relatief oudere bevolking maakt meer gebruik van zorg en pensioenuitkeringen.
Er bestaan twee indicatoren die de wijzigingen in de leeftijdsverdeling in kaart brengen: de ‘groene druk’ en de ‘grijze druk’. De groene druk is de verhouding tussen het aantal 0-14-jarigen en de potentiële beroepsbevolking (15-64-jarigen), terwijl de grijze druk de verhouding is tussen het aantal 65-plussers en de potentiële beroepsbevolking.

Tussen 2008 en 2019 is de grijze druk in Nederland gestegen van 21,8 naar 29,5%. De groene druk liet een tegengestelde ontwikkeling zien. Deze nam in dezelfde periode af van bijna 26,6% naar 24,4% .

Grijze druk groter dan groene druk in Nederland

2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
grijze druk 21,84 22,29 22,82 23,27 24,43 25,5 26,39 27,18 27,81 28,36 28,974 29,515
groene druk 26,56 26,36 26,19 26,06 26,06 25,98 25,77 25,547 25,24 24,97 24,712 24,401

aDe cijfers van 2019 zijn voorlopig.

Bron:CBS (StatLine) SCP-bewerking

In totaal overleden er tijdens de coronacrisis rond de 10.000 mensen meer dan onder normale omstandigheden zou worden verwacht, waarvan de meesten 70 jaar of ouder waren (CBS 2020b en Husby 2020). Dit aantal heeft nauwelijks invloed op het beeld van de vergrijzing. Of en in welke mate de coronacrisis invloed heeft op het aantal geboorten en daarmee op de vergroening, was nog niet bekend op het moment van verschijnen van deze publicatie.

De groene en grijze druk in Europa

Met uitzondering van Luxemburg is de grijze druk in alle EU-landen de afgelopen jaren gestegen. In 2008 was Nederland gemiddeld minder vergrijsd dan de andere EU-landen. Maar door een snelle vergrijzing is Nederland in 2018 gemiddeld bijna even grijs als de andere EU-landen.

Ook de groene druk in Nederland nadert steeds meer het EU-gemiddelde. Nederland begon in 2008 duidelijk groener dan het gemiddelde van de EU-landen, maar verschilt in 2018 nauwelijks nog van het gemiddelde van de EU-landen (Van der Torre en Steenbekkers 2019).

De verwachting is dat de vergrijzing in 2020 minder zal toenemen in landen die zwaarder getroffen worden door de coronacrisis. Mogelijk dat het omgekeerde beeld te zien is bij de vergroening. De extra sterfte is echter in de meeste landen relatief klein, waardoor deze op het totale beeld van vergrijzing en vergroening weinig invloed heeft. Door de coronacrisis zal het totale beeld, namelijk dat de vergrijzing en vergroening in de EU-landen toenemen en dat Nederland naar de EU-gemiddelden kruipt, dan ook naar verwachting niet sterk veranderen.

Meer mensen met een migratieachtergrond

In Nederland is, zoals in de meeste Europese landen, de bevolkingsgroei door migratie groter dan door natuurlijke aanwas. De toetreding van de meeste Oost-Europese landen tot het Schengenverdrag heeft ervoor gezorgd dat personen uit deze landen visumvrij binnen het Schengengebied kunnen reizen. Deze open grenzen hebben geleid tot een flinke migratie uit Oost-Europa naar Midden- en West-Europa, waaronder naar Nederland. Verder was er de laatste jaren een aanzienlijke toestroom van vluchtelingen uit vooral Syrië, Irak en Eritrea. De toestroom verliep de laatste decennia in golven, wat samenhangt met het uitbreken van oorlogen (vluchtelingen) en economische bewegingen (arbeidsmigranten).

Doordat er in de autochtone Nederlandse bevolking per jaar meer mensen overlijden dan dat er kinderen worden geboren, neemt de aanwas van autochtone Nederlanders gestaag af en is die zelfs negatief sinds 2015. Het aandeel mensen met een migratieachtergrond steeg van 19,6% in 2008 naar 23,6% in 2019 (een groei van bijna 21%), zowel door nieuwe immigratie als door een hogere natuurlijke aanwas onder mensen met een migratieachtergrond. De groei van het aandeel mensen met een niet-westerse migratieachtergrond was iets groter dan die van mensen met een westerse migratieachtergrond (24% versus 16%). Vooral het aandeel mensen uit overige niet-westerse landen nam toe. Het aandeel met een Surinaamse, Antilliaanse, Turkse of Marokkaanse achtergrond bleef vrijwel gelijk.

In 2019 groter aandeel mensen met een migratieachtergrond dan in 2008

totaal 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
soort migratieachtergrond
personen met een westerse migratieachtergrond 8,84 8,97 9,06 9,17 9,3 9,4 9,49 9,63 9,75 9,89 10,063 10,266
personen met een niet-westerse migratieachtergrond 10,76 10,97 11,21 11,4 11,58 11,72 11,87 12,06 12,30 12,73 13,054 13,377
niet-westers land
(voormalig) Ned. Antillen en Aruba 0,8 0,82 0,84 0,80 0,86 0,87 0,87 0,88 0,89 0,9 0,914 0,933
Suriname 2,00 2,05 2,07 2,07 2,07 2,07 2,07 2,06 2,06 2,00 2,047 2,048
Marokko 2,04 2,07 2,11 2,14 2,17 2,2 2,23 2,25 2,27 2,29 2,308 2,329
Turkije 2,27 2,29 2,32 2,34 2,30 2,36 2,36 2,30 2,34 2,34 2,354 2,372
overig niet-westers 3,6 3,74 3,89 4,01 4,13 4,22 4,34 4,52 4,79 5,14 5,431 5,696

aDe cijfers van 2019 zijn voorlopig.

Bron:CBS (StatLine) SCP-bewerking

Mede door internationale reisbeperkingen rondom de coronacrisis nam de immigratie in het tweede kwartaal van 2020 ten opzichte van het tweede kwartaal van 2019 af met 40% (CBS StatLine). Vooral de instroom van mensen met een niet-westerse migratieachtergrond daalde (63%). Onder die laatste groep valt vooral de verminderde instroom op uit India, Turkije, Syrië, China, Marokko, Brazilië en Iran (CBS StatLine).

Ook nam de toestroom van asielzoekers en nareizigers in het tweede kwartaal van 2020 aanzienlijk af. Het aantal eerste asielverzoeken daalde met 76% ten opzichte van hetzelfde kwartaal een jaar eerder (CBS 2020d). Of er bij immigratie en asiel sprake is van uitstel of afstel is op het moment van schrijven van deze publicatie nog niet bekend.

Economie krimpt in 2020, na groei in 2014-2019

Net als elders in deze publicatie bekijken wij hier de periode 2008-2019. Zo kunnen we de vorige economische neergang en het herstel daarna volledig in beeld brengen. Het verloop van die neergang en opgang kan inzicht geven in de mogelijke gevolgen van de coronacrisis voor de economie. Daarbij gaat het ons niet om de lengte of de diepte van de crisis, maar om het patroon.

Het bbp is over de periode 2008-2019 per saldo met een kleine 12% gestegen. De stijging voltrok zich vanaf 2014. Het netto beschikbaar inkomen van huishoudens, steeg in dezelfde periode echter met slechts 6,5%. Het beeld wordt iets gunstiger als we bij dit beschikbare inkomen de sociale overdrachten optellen die huishoudens in natura ontvangen van overheidsinstellingen en instellingen zonder winstoogmerk. Dit zogeheten ‘alternatief beschikbaar inkomen’ steeg met 7,8%.

Alternatief beschikbaar inkomen en sociale overdrachten in natura

Het alternatief beschikbaar inkomen is het beschikbare inkomen van huishoudens aangevuld met sociale overdrachten die huishoudens in natura ontvangen van de overheid en instellingen zonder winstoogmerk.

Sociale overdrachten in natura bestaan uit afzonderlijke goederen en diensten die door overheidsinstellingen en instellingen zonder winstoogmerk gratis of onder de kostprijs aan individuele huishoudens worden verstrekt. Voorbeelden hiervan zijn de uitkeringen van de Zorgverzekeringswet, uitkeringen van sociale voorzieningen, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, OV-jaarkaarten voor studenten en huurtoeslagen.

De economie groeide, met periodes van krimp, tussen 2008 en 2019 met bijna 12%

2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
bruto binnenlands product 100 96,2 97,5 99,1 98,1 97,9 99,4 101,3 103,5 106,5 109,249 111,677
alternatief beschikbaar bruto inkomen huishouden 100 100,58 101,72 101,22 99,78 97,92 99 99,71 101,80 103,00 105,711 107,811
netto beschikbaar inkomen huishouden 100 98,31 98,49 98,77 97,30 95,98 97,58 98,88 101,60 102,60 105,019 106,465

aDe cijfers van 2019 zijn voorlopig.

bBbp is gedefleerd met het prijsindexcijfer voor het bbp; de beschikbare inkomens van huishoudens zijn gedefleerd met de consumentenprijsindex (cpi).

Bron:CBS (StatLine, Nationale rekeningen) SCP-bewerking

Niet alle economische groei komt in de vorm van extra koopkracht terecht bij huishoudens. Vooral bedrijven en in iets mindere mate de overheid profiteerden van de economische groei en hadden meer geld tot hun beschikking .

Het alternatief beschikbaar inkomen van huishoudens is in de periode 2008-2019 per saldo 1,3% sterker gestegen dan het beschikbaar inkomen van huishoudens. Dit komt door een hoger profijt van de overheid. Dat betekent dat de inkomensaanvullingen van de overheid via collectief gefinancierde goederen en diensten sterker zijn gestegen dan de beschikbare inkomens van huishoudens.

De coronacrisis heeft een nieuwe economische crisis veroorzaakt die naar verwachting dieper zal zijn dan de vorige economische neergang van 2008-2013 (CPB 2020b). Volgens de meest recente berekening van het Centraal Planbureau daalt het bbp in 2020 met 5% om in 2021 weer te stijgen met 3% (CPB 2020b). Als dat scenario werkelijkheid wordt, is het bbp in 2021 nog altijd 9% hoger dan in 2008. Over het netto beschikbaar inkomen van huishoudens zegt het CPB in de Juniraming 2020 (CPB 2020a) het volgende: ‘Het beschikbaar inkomen van veel Nederlandse huishoudens verandert dit en volgend jaar aanzienlijk door de coronacrisis. Een groot aantal werknemers zal werkloos worden, wat een negatieve invloed heeft op het beschikbaar inkomen. Hetzelfde geldt voor werknemers die minder uren gaan werken door de productiedaling, ook al zal dit grotendeels gecompenseerd worden door de NOW. Zzp’ers die minder opdrachten krijgen zien hun inkomen ook afnemen.’ Voor meer informatie over de inkomens van inwoners in Nederland, zie pagina Inkomen‍.

In 2019 minder economische misère dan in 2013, na 2019 stijging verwacht

Naast de ontwikkeling van het bbp zijn ook de werkloosheid, het overheidstekort en de inflatie belangrijke graadmeters voor economische ontwikkelingen. Deze drie indicatoren nemen we samen in een zogeheten misère-index .

In Nederland is de misère in de periode 2008-2019 per saldo licht gedaald. Tijdens de vorige economische crisis was er een tijdelijke piek door eerst hogere overheidstekorten en later een hogere werkloosheid. De werkloosheid lag in 2019 inmiddels weer onder het niveau van 2008 (zie ook pagina Betaald werk). Ook de overheidsfinanciën waren in 2019 weer op orde en er was sprake van een financieringsoverschot. Na jaren van lage inflatie nam de inflatie na 2016 weer wat toe. De verhoging van het lage btw-tarief van 6% naar 9% per 1 januari 2019 heeft via een tijdelijk hogere inflatie gezorgd voor een hogere misère-index.

Zowel in Nederland als in de andere EU-landen leidt de coronacrisis tot hogere financieringstekorten bij de overheden en tot hogere werkloosheid (CPB 2020a en 2020b). Naar verwachting zullen de financieringstekorten van de overheid hogere niveaus bereiken dan in de vorige economische neergang. Het CPB verwacht voor Nederland op grond van de basisberekening , die natuurlijk met veel onzekerheid is omgeven, een tekort van ruim 7% in 2020 en van ruim 4% in 2021. Omdat Nederland de laatste 5 jaar veel staatsschuld heeft afgelost, zijn deze tekorten voor Nederland minder schadelijk dan voor veel andere Europese landen. Ook de werkloosheid zal in Nederland flink oplopen: naar bijna 4,4% in 2020 en 6,5% in 2021, terwijl deze in 2019 nog 3,4% was. De inflatie in Nederland zal in 2020 naar verwachting dalen: van 2,7% in 2019 naar 1,4% in 2020 (CPB 2020a). In december 2019 werd door het CPB ook een inflatiecijfer van 1,4% voor 2020 verwacht (CPB 2019). De invloed van de crisis op de inflatie is dus gering. In 2021 gaat de inflatie naar verwachting van het CPB alweer iets stijgen, namelijk naar 1,5% (CPB 2020a). Per saldo zal de economische misère in Nederland en in de rest van Europa zowel in 2020 als in 2021 hoger zijn dan in 2019.

Misère in 2019 onder niveau van 2008, maar inflatie relatief hoog

2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019
werkloosheid 25,667 27,293 28,687 28,687 30,546 34,030 34,263 33,101 31,010 28,455 25,900 24,970
inflatie 25,165 18,630 18,085 26,798 28,432 27,343 14,818 14,273 13,729 20,264 21,897 27,888
begrotingstekort 25,516 40,861 41,150 38,834 37,387 34,491 32,465 31,886 26,095 22,331 22,042 21,173

aDe cijfers van 2019 zijn voorlopig.

bIndex met de misère van de EU in 2008 op 100 en deelindices voor de werkloosheid, de inflatie en het begrotingstekort van de EU in 2008 op 33 1/3.

Bron:EC (Eurostat) SCP-bewerking

In Nederland minder economische misère dan elders in de Europese Unie

In Nederland was de misère in 2019 lager dan gemiddeld in de Europese Unie: lager begrotingstekort, lagere werkloosheid, maar hogere inflatie (onder andere door de verhoging van het lage btw-tarief van 6% naar 9% per 1 januari 2019). De misère was in 2019 in de EU-landen gemiddeld lager dan in 2008.

Nederland kent relatief weinig economische misère

werkloosheid 2008 2019
Denemarken 25,7 28,7
Duitsland 34,5 24,5
Cyprus 25,7 33,6
Malta 31,0 25,0
Luxemburg 28,9 30,1
Ierland 32,9 28,7
Portugal 35,0 32,2
Oostenrijk 26,6 27,5
Bulgarije 30,1 26,8
Nederland 25,7 25,0
Tsjechië 27,3 21,7
Slovenië 27,3 27,5
Kroatië 37,1 32,4
Polen 33,6 24,7
Zweden 31,5 32,9
Estland 29,8 27,3
België 33,3 29,6
Verenigd Koninkrijk 30,1 25,9
Finland 31,9 32,6
EU28 33,3 31,7
Litouwen 30,5 31,7
Letland 35,0 31,7
Italië 32,6 40,3
Hongarije 35,2 25,0
Slowakije 39,1 30,5
Frankrijk 34,3 36,8
Griekenland 35,2 57,3
Roemenië 30,5 26,1
Spanje 43,3 49,8
inflatie 2008 2019
Denemarken 32,8 17,0
Duitsland 28,4 20,8
Cyprus 37,1 15,9
Malta 38,8 21,4
Luxemburg 35,5 21,9
Ierland 30,1 18,1
Portugal 27,9 14,8
Oostenrijk 30,6 21,4
Bulgarije 78,5 26,8
Nederland 25,5 27,9
Tsjechië 47,5 27,3
Slovenië 43,1 22,4
Kroatië 44,8 17,5
Polen 36,1 24,6
Zweden 31,2 22,4
Estland 70,9 25,7
België 37,7 19,7
Verenigd Koninkrijk 32,8 23,0
Finland 34,4 19,2
EU28 33,3 21,4
Litouwen 73,6 25,2
Letland 96,5 27,9
Italië 32,2 16,5
Hongarije 45,9 31,7
Slowakije 34,4 28,4
Frankrijk 30,6 20,3
Griekenland 36,1 15,9
Roemenië 56,2 34,4
Spanje 35,5 17,5
begrotingstekort 2008 2019
Denemarken 16,8 15,4
Duitsland 26,4 22,0
Cyprus 23,5 21,2
Malta 38,3 24,6
Luxemburg 16,0 19,7
Ierland 46,6 24,9
Portugal 36,8 25,5
Oostenrijk 30,4 24,1
Bulgarije 21,5 20,0
Nederland 25,5 21,2
Tsjechië 31,9 25,2
Slovenië 30,1 24,6
Kroatië 34,2 24,9
Polen 36,5 28,1
Zweden 20,6 24,6
Estland 33,6 27,0
België 29,3 31,6
Verenigd Koninkrijk 40,9 32,2
Finland 13,9 29,3
EU28 33,3 28,4
Litouwen 35,1 25,2
Letland 38,5 26,7
Italië 33,6 30,7
Hongarije 37,1 31,9
Slowakije 33,3 29,9
Frankrijk 35,6 34,8
Griekenland 55,6 21,8
Roemenië 41,7 38,5
Spanje 39,4 34,2

aGerangschikt naar positie in 2019. Index met de misère van de EU in 2008 op 100 en deelindices voor de werkloosheid, de inflatie en het begrotingstekort van de EU in 2008 op 33 1/3.

Bron:EC (Eurostat) SCP-bewerking

De transitie naar hernieuwbare energie heeft nog een lange weg te gaan

Tot slot beschrijven we hoe het staat met een aantal overheidsdoelen op het terrein van klimaat en milieu. Die beïnvloeden de leefsituatie van burgers – nu en op langere termijn. We richten ons op één belangrijke factor: het energieverbruik.

Bij de verbranding van fossiele energiebronnen zoals aardgas, komen warmte en vervuilende stoffen vrij die slecht zijn voor ons leefmilieu en de aarde laten opwarmen. De overgang naar hernieuwbare energiebronnen (bv. wind- en zonne-energie) als oplossing daarvoor verbetert aan de ene kant de leefomgeving, maar brengt aan de andere kant lokaal ook landschapsvervuiling en sociale spanningen met zich mee.

De rechter heeft de overheid opgedragen om de uitstoot van schadelijke stoffen in 2020 met 25% te reduceren ten opzichte van 1990 (TK 2019/2020a). Deze uitspraak is bekend als het Urgenda-vonnis. In 2018 bedroeg de afname 15% en was dit doel ver weg (PBL 2019). Onder invloed van de coronacrisis lijkt dit klimaatdoel – door de verminderde uitstoot door verkeer, vervoer en industrie – toch binnen bereik te komen (Boot 2020).

Twee andere doelen voor 2020, namelijk 100 PetaJoule (PJ) energiebesparing en 14% duurzaam opgewekte energie, komen uit het Energieakkoord (SER 2013). Modelberekeningen wijzen uit dat deze doelen waarschijnlijk niet haalbaar zijn (PBL 2019).

Met behulp van feitelijke cijfers uit de periode 2010-2018 laat onderstaande figuur zien hoe Nederland ervoor staat op het gebied van energiebesparing. De grootste energiebesparing (90 PJ) vond plaats in de sector gebouwde omgeving die verantwoordelijk is voor ongeveer een derde van de totale gas- en elektraconsumptie in Nederland. Bovendien is deze energiebesparing van ongeveer 12% gerealiseerd terwijl het aantal gebouwen in dezelfde periode met minstens 5% toenam. Met uitzondering van de landbouwsector, lukte energiebesparing in de overige sectoren niet. Helaas zijn er geen recentere energieverbruikscijfers beschikbaar en kan nog niet worden geconcludeerd of het besparingsdoel voor 2020 binnen bereik ligt. Feitelijk werd dit doel van 100 PJ energiebesparing in 2018 al grotendeels behaald door alleen de sector gebouwde omgeving, maar door wisselvallige winters is ook het energieverbruik wisselvallig en kan het verbruik, net zoals in de industrie en het weg- en railverkeer, zomaar weer toenemen.

Onderstaande figuur toont ook de productie van duurzaam opgewekte, ofwel hernieuwbare of groene energie. De productie van hernieuwbare energie laat een duidelijke stijging zien naar circa 130 PJ in 2017. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek was dit in 2018 7,4% en in 2019 8,6% van onze verbruikte energie (CBS 2020d). Toch blijft hiermee het doel van 14% hernieuwbare energie in 2020 ver buiten bereik en is Nederland in Europees verband hekkensluiter. Het gemiddelde van de 27 EU-landen exclusief het Verenigd Koninkrijk bedroeg in 2018 namelijk 18,9% hernieuwbare energie (Eurostat 2020).

Nederlandse energieconsumptie is voor een klein deel groen

2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
gebouwde omgeving 741,119 696,229 700,233 695,563 654,827 652,014 648,898 649,073 651,756
wegverkeer en vervoer 537,083 539,355 540,188 541,53 542,239 543,613 546,667 550,342 556,545
railverkeer en vervoer 340,147 342,751 344,492 346,494 348,071 350,104 347,103 344,503 358,328
industrie, energie, afval en water 535,716 536,634 518,546 554,483 515,961 527,464 532,134 552,51 547,606
landbouw, bosbouw en visserij 180,626 161,548 162,655 160,229 140,113 146,062 146,4 149,085 147,176
productie hernieuwbare energie 84,77 92,538 95,001 94,535 105,11 112,981 117,259 130,898 148,906

aHet gaat hier om de totale hoeveelheid gebruikte energie in een sector (in PetaJoule).

bExclusief de doorsnijdende categorie ‘bekend energiegebruik (incl. hernieuwbare warmte, zonnestroom 'achter de meter' en auto(snel)wegen)’ ter grootte van 1966 PJ in 2018.

Bron:Klimaatmonitor RWS

Uit bovenstaande figuur kunnen we aflezen dat we nog een lange weg te gaan hebben bij de overstap naar hernieuwbare energie. Daarnaast verwachten we dat de beoogde energiebesparing in de gebouwde omgeving door de coronacrisis vertraagt. De bouwsector voorziet als gevolg van de economische recessie (CPB 2020b) een krimp in 2020-2021 voor zowel nieuwbouw als renovatie (EIB 2020). Dit betekent dat er minder energiezuinige nieuwbouwwoningen aan de woningvoorraad worden toegevoegd en dat ook het energiezuinig maken van de bestaande woningen vertraging oploopt. Eenzelfde vertraging blijkt ook uit de plannen van woningeigenaren: vóór de coronacrisis had 27% van de woningeigenaren concrete verduurzamingsplannen, nu stelt een flink deel (11%) deze werkzaamheden uit. Dat zo’n 6% zegt kritischer te gaan kijken naar het energieverbruik weegt hier niet tegenop (VEH 2020). Ook de extra ondersteuningsmaatregelen voor woningverduurzaming vanuit de overheid (TK 2019/2020b) brengen hier waarschijnlijk weinig verandering in.

De in het Energieakkoord omschreven doelen van 14% duurzaam opgewekte energie in 2020 en 16% in 2023 zijn zonder aanvullende maatregelen waarschijnlijk al niet haalbaar (PBL 2019). De coronacrisis bemoeilijkt de verdere uitbouw van groene energiebronnen nog eens extra. Zo zien productiebedrijven in de duurzame-energiesector hun werk stagneren: uit een peiling in april onder 140 bedrijven blijkt dat een kwart tot de helft van de bedrijven nieuwe of lopende projecten zag stilvallen (NVDE 2020).

Literatuur

Boot, P. (2020). De invloed van de coronacrisis op de Nederlandse broeikasgasemissies in 2020. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

CBS (2020a). Verbruik hernieuwbare energie met 16% gegroeid. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd 16 juni 2020 via https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/22/verbruik-hernieuwbare-energie-met-16-procent-gegroeid.

CBS (2020b). Sterfte in coronatijd. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd 16 juni 2020 via https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/22/sterfte-in-coronatijd.

CBS (2020c). Wat zijn de economische gevolgen van corona? Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd 22 juni 2020 via https://www.cbs.nl/nl-nl/dossier/cbs-cijfers-coronacrisis/wat-zijn-de-economische-gevolgen-van-corona-.

CBS (2020d). Aantal asielzoekers en nareizigers afgenomen in tweede kwartaal 2020. Den Haag: Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd 20 augustus 2020 via https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/31/aantal-asielzoekers-en-nareizigers-afgenomen-in-tweede-kwartaal-2020.

CPB (2019). Decemberraming: economisch vooruitzicht 2020. Den Haag: Centraal Planbureau. Geraadpleegd 10 juni 2020 via https://www.cpb.nl/decemberraming-2019-vooruitzicht-2020.

CPB (2020a). Juniraming 2020. Den Haag: Centraal Planbureau. Geraadpleegd 16 juni 2020 via https://www.cpb.nl/juniraming-2020.

CPB (2020b). Augustusraming 2020-2021. Den Haag: Centraal Planbureau. Geraadpleegd 20 augustus 2020 via https://www.cpb.nl/augustusraming-2020-2021.

EIB (2020). Notitie Vooruitzichten voor de bouw na de coronacrisis. Amsterdam: Economisch Instituut voor de Bouw.

Eurostat (2020). Share of renewable energy in gross final energy consumption by sector. Geraadpleegd 26 juni 2020 via https://ec.europa.eu/eurostat/databrowser/view/sdg_07_40/default/table?lang=en.

EZK (2019). Voorstel voor het klimaatplan. Brochure van november 2019, Publicatie-nr. 1019-155. Den Haag: ministerie van Economische Zaken.

NVDE (2020). Position paper effecten van de Coronacrisis op de energietransitie. Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Duurzame Energie.

Husby, T., L. Stoeldraijer en H. Visser (2020). Oversterfte tijdens de corona-epidemie: toepassing van een dynamisch regressiemodel. Geraadpleegd 20 augustus 2020 via https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2020/31/oversterfte-corona-epidemie-toepassing-van-een-dynamisch-regressiemodel.

PBL (2019). Kortetermijnraming voor emissies en energie in 2020. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.

RWS (2020). Klimaatmonitor. Den Haag: Rijkswaterstaat. Geraadpleegd op 29 juni 2020 via https://klimaatmonitor.databank.nl/Jive?workspace_guid=bbb5694d-4d0a-4890-9e04-b93f7b67c671.

SER (2013). Energieakkoord voor duurzame groei. Den Haag: Sociaal Economische Raad.

Torre, A. van der en A. Steenbekkers (2019). Bevolking, economie en leefomgeving. In: Wennekers, A., J. Boelhouwer, C. van Campen en J. Kullberg (red.), De sociale staat van Nederland 2019 (p. 17-51). Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

TK (2019/2020a). Kabinetsaanpak Klimaatbeleid inzake de uitvoering van het Urgenda-vonnis. Brief van 24 april 2020 van de minister van Economische Zaken aan de Tweede Kamer. Tweede Kamer, vergaderjaar 2019/2020, 32813, nr. 498.

TK (2019/2020b). Integrale visie op de woningmarkt. Kabinetsaanpak Klimaatbeleid inzake financiering van het warmtefonds voor woningeigenaren. Brief van 13 mei 2020 van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aan de Tweede Kamer. Tweede Kamer, vergaderjaar 2019/2020, 32847 en 32813, nr. 646.

VEH (2020). Corona en verduurzamen. Amersfoort: Vereniging Eigen Huis.

Deze kaart citeren

Torre, A.G.J. van der en J.H.M. Steenbekkers (2020). Bevolking, economie en leefomgeving. In: De sociale staat van Nederland: 2020. Geraadpleegd op [datum vandaag] via https://digitaal.scp.nl/ssn2020/bevolking-economie-en-leefomgeving.

Informatie noten

Met 95% zekerheid lag de oversterfte in die weken tussen 8593 en 11.691.

Dit betekent dat er in 2019 op een potentiële beroepsbevolking van 100 mensen zo’n 30 65-plussers waren. Op diezelfde potentiële beroepsbevolking waren er zo’n 24 0-14-jarigen.

Van 52.000 in het tweede kwartaal van 2019 tot 31.000 in het tweede kwartaal van 2020.

Bedrijven geven geld uit aan bijvoorbeeld investeringen, consumptie, dividend en besparingen. De overheid geeft geld uit aan bijvoorbeeld onderwijs, zorg, veiligheid en sociale voorzieningen.

De hoogte van de werkloosheid, de geldontwaarding en het overheidstekort in een land drukken we uit in een misère-index. In deze index telt elk van deze drie indicatoren even sterk mee in het beginjaar (bij ons 2008) voor een ijkland (bij ons het EU-gemiddelde). De index is 100 voor het EU-gemiddelde in 2008. Hoe hoger de index, hoe slechter de prestaties. Uiteraard vormen deze drie indicatoren slechts een benadering van de economische toestand. De keuze van de grootheden is redelijk willekeurig, evenals de opbouw van de index.

De aanname in de basisberekening is dat er geen tweede golf van het coronavirus komt met opnieuw grootschalige contactbeperkingen.