CBSSCP

Emancipatiemonitor 2020

8 / 18

Hoeveel vrouwen zijn economisch zelfstandig?

Drie op de vier vrouwen vinden het belangrijk economisch zelfstandig te zijn. Het aandeel vrouwen dat daarvoor genoeg verdient, neemt al zes jaar onafgebroken toe, maar is nog wel iets lager: in 2019 bijna 64%. Economisch niet-zelfstandige vrouwen hebben meestal een uitkering of een baan die te weinig inkomen oplevert om van te kunnen leven. Ook komt het voor dat ze geen eigen inkomen hebben. Bij mannen was er eveneens een stijging vanaf 2014 en is 81% economisch zelfstandig. De andere mannen hebben meestal een uitkering.

Vrouwen steeds vaker economisch zelfstandig

Al een aantal jaren stijgt het aandeel vrouwen tussen 15 jaar en de AOW-leeftijd, uitgezonderd scholieren en studenten, dat netto minstens het bijstandsniveau (990 euro per maand in 2019) verdient. Deze groeiende economisch zelfstandigheid is in lijn met een belangrijke doelstelling van het emancipatiebeleid. Tussen 2009 en 2019 steeg dat aandeel van 54,1% naar 63,8%. Die stijging speelde vanaf 2014 na de economische crisis. Ook bij mannen was toen sprake van een toename, al was die minder sterk. Nu de arbeidsparticipatie vanwege corona in 2020 niet is gestegen, en de werkloosheid is opgelopen (zie Kaart 5), is niet uit te sluiten dat het aandeel economisch zelfstandige vrouwen en mannen terug zal lopen in 2020.

Ook steeds meer vrouwen met minstens het minimumloon

Omdat 990 euro in de maand niet genoeg is om met kinderen van te leven, hanteert de overheid (TK 2017/2018) een tweede maat voor het meten van de vordering van het emancipatiebeleid: financiële onafhankelijkheid. Daarbij ligt de drempelwaarde hoger: het verdiende inkomen moet minstens het minimumloon (1410 euro per maand) bedragen. Het aandeel financieel onafhankelijke vrouwen en mannen is uiteraard lager dan het aandeel economisch zelfstandigen. Maar ook het aandeel dat minstens het minimumloon verdient groeide vooral onder vrouwen vanaf 2014 sterk, tot bijna 53% in 2019. Mannen zijn vaker financieel onafhankelijk (76%), maar het verschil is kleiner geworden. Met name moeders met een partner zijn nu vaker financieel onafhankelijk (zie m/v-stat).

Economische zelfstandigheid

economische zelfstandigheid en financiële onafhankelijkheid, personen van 15 jaar tot AOW-leeftijd excl. scholieren/studenten, 2009-2019 (in procenten)

# 2009 2010 2011ᵃ 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019ᵇ
economische zelfstandigheid vrouw 54.1 54.3 55.2
economische zelfstandigheid vrouw 56.5 56.8 56.7 57.1 57.9 59.3 60.7 62.5 63.8
economische zelfstandigheid man 78.2 77.3 77.8
economische zelfstandigheid man 78.9 78.2 77.3 77.5 78.2 79.0 79.7 80.8 81.1
financiële onafhankelijkheid vrouw 40.6 40.6 41.8
financiële onafhankelijkheid vrouw 42.3 42.6 43.5 44.8 45.9 48.5 50.0 51.6 52.9
financiële onafhankelijkheid man 72.9 71.8 72.3
financiële onafhankelijkheid man 73.1 72.3 71.6 72 72.7 74.1 74.9 76 76.2

aDe Inkomensstatistiek is in 2011 gereviseerd. Op dat moment is overgestapt van een steekproef naar integrale gegevens.

bVoorlopige cijfers.

Bron:CBS (Inkomensstatistiek’09-’19)

Risico op armoede, economische zelfstandigheid en scheiden

Vrouwen en mannen lopen vrijwel even vaak risico op armoede: in 2018 had ruim 6% (met hun huishouden) een laag inkomen. De samenstelling van de groepen vrouwen en mannen met en laag inkomen loopt uiteen. Onder de vrouwen met risico op armoede zijn er relatief veel meer alleenstaande ouders (20% tegenover 2%), en onder de mannen juist meer alleenstaanden (58% tegenover 44%). Economische zelfstandigheid gaat veelal samen met leven boven de armoedegrens. Economische onzelfstandigheid betekent echter niet per se dat iemand in penibele financiële omstandigheden leeft. Het inkomen van de partner, ouders of een inwonend kind kan ertoe bijdragen dat het huishoudensinkomen boven de lage-inkomensgrens ligt (Van den Brakel 2017).

Bij een echtscheiding lopen vooral moeders risico in armoede te belanden, zeker als ze niet economisch zelfstandig waren. Ook mannen die niet economisch zelfstandig zijn, hebben na de scheiding relatief vaak een laag inkomen. Financiële onafhankelijkheid behoedt vrijwel alle vrouwen en mannen voor armoede na een scheiding. Met de toegenomen financiële onafhankelijkheid lopen vooral vrouwen gemiddeld steeds minder risico op armoede na een scheiding. Desondanks verliezen zij aan koopkracht, terwijl mannen er bij een scheiding in koopkracht op vooruit gaan. Dat komt doordat vrouwen doorgaans minder inkomen hebben dan hun partner en kinderen na een scheiding meestal bij de moeder gaan wonen. De meeste gescheiden mannen hoeven hun inkomen niet meer volledig met een partner en kind(eren) te delen (Van den Brakel et al. 2020). Bijna vier op de tien huwelijken eindigen in een scheiding (zie Kaart 2).

Drie op de vier vrouwen willen minstens 1000 euro per maand verdienen

Om economische zelfstandig te zijn, moet bijna 1000 euro netto per maand verdiend worden. Driekwart van de vrouwen vindt het in 2020 belangrijk zelf zoveel te verdienen. Evenveel vrouwen (meestal dezelfde) vinden het belangrijk genoeg te verdienen om, eventueel met hun kinderen, van te kunnen leven. Vergeleken met twee jaar ervoor is het aandeel dat daar waarde aan hecht niet toegenomen. Ook hebben vrouwen even vaak als in 2018 het gevoel dat hun inkomen niet gemist kan worden. Wel geven iets meer vrouwen aan het belangrijk te vinden door te groeien naar een hoger salaris, en geld te verdienen om het financieel goed te hebben. Ook bij de mannen is er een vergelijkbare verschuiving. De enquêtes voor het onderzoek liepen in de eerste maanden van de coronacrisis. Mogelijk heeft de toename te maken met financiële zorgen vanwege de lockdown en de verwachte crisis erna.

Belang inkomen en economische zelfstandigheid

vrouw

man

ik wil in mijn werk doorgroeien naar een hoger salaris

56

68

ik vind het belangrijk geld te verdienen zodat ik/wij het financieel goed hebben

83

89

ik vind het belangrijk om zelf zoveel te verdienen dat ik in mijn eigen levensonderhoud en dat van mijn eventuele kinderen kan voorzien

72

88

ik moet wel werken, want mijn inkomen kan niet gemist worden

55

74

ik vind het belangrijk dat ik met betaald werk in ieder geval 1000 euro netto per maand verdien

73

84

aExclusief scholieren/studenten en mensen met (pre)pensioen.

bSignificante verschillen (p < 0,05) zijn vetgedrukt.

Bron:SCP (EMOP’20)

Mannen hechter vaker aan een goed/hoger/eigen inkomen dan vrouwen. Vooral vrouwen die samenwonen vinden dit minder vaak belangrijk. In veel relaties blijkt de kostwinnerstaak nog vooral op de man te rusten (Portegijs 2018). Bij mannen maakt het niet uit of ze samenwonen (zie bijlage B8.1). Ook het opleidingsniveau maakt uit: hoogopgeleide vrouwen vinden een (eigen) inkomen vaker belangrijk dan lageropgeleide vrouwen, maar nog altijd minder belangrijk dan hoogopgeleide mannen (zie bijlage B8.2).

Vrouwen vaker dan mannen werkzaam zonder economisch zelfstandig te zijn

De meeste mannen die niet economisch zelfstandig zijn, hebben een hoofdzakelijk inkomen uit een uitkering. Dat geldt ook voor een deel van de vrouwen. Maar vaker dan mannen hebben economisch niet-zelfstandige vrouwen wel werk, maar verdienen daarmee te weinig. Dat komt vooral doordat vrouwen overwegend in deeltijd werken (zie Kaart 5) en gemiddeld een lager uurloon hebben (zie Kaart 7). Minder dan een op de tien vrouwen heeft geen eigen inkomen. Vrijwel altijd zijn dit gehuwde of samenwonende vrouwen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van hun partner (Van den Brakel 2017).

Economische zelfstandigheid en sociaal-economische positie

economische zelfstandigheid en belangrijkste inkomensbron, personen van 15 jaar tot AOW leeftijd, exclusief scholieren en studenten, 2019a) (in procenten)

# vrouw man
economisch zelfstandig 63.8 81.1
niet economisch zelfstandig 12.5 5.2
niet economisch zelfstandig 15.8 12.0
niet economisch zelfstandig 8.0 1.7

aVoorlopige cijfers.

Bron:CBS (Inkomensstatistiek ’19)

Werkende mannen vaker economisch zelfstandig dan werkende vrouwen

Van de werkende mannen is 90% economisch zelfstandig, tegenover 70% van de werkende vrouwen. Een voltijds werkweek levert vrijwel altijd een inkomen boven het bijstandsniveau op. In de weinige gevallen waar dat niet zo is, gaat het vaak om zelfstandigen die weinig winst maken of verlies lijden. Ook met een deeltijdbaan van minimaal 0,6 fte is de meerderheid economisch zelfstandig. Met een kleinere deeltijdbaan is dat een minderheid, en mannen zijn dan minder vaak economisch zelfstandig dan vrouwen. Dit komt doordat mannen met een deeltijdbaan veelal jonger en lager opgeleid zijn (zie StatLine), en daardoor vaker werken in minder goed betaalde beroepen dan vrouwen met een deeltijdbaan.

Man-vrouwverschil inkomen kleinst bij jongeren

Niet alleen werk is een inkomstenbron, ook uitkeringen kunnen een rol spelen in het inkomen van vrouwen en mannen. Het gemiddeld persoonlijk inkomen van vrouwen bedraagt 63% van dat van mannen: 30,8 versus 49,2 duizend euro in 2019. Het lagere inkomen van vrouwen komt vooral doordat ze meestal in deeltijd werken (zie Kaart 5). Daarnaast gaat onder meer het werken in minder goed betaalde sectoren en beroepen gepaard met een lager uurloon dan mannen (zie Kaart 7). Als gevolg van een lager inkomen uit betaald werk komt bij verlies daarvan de werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering van een vrouw lager uit (zie CBS 2020). Het inkomensverschil tussen mannen en vrouwen is sinds 2011 wat kleiner geworden (zie m/v-stat).

Vrouwen en mannen jonger dan 30 jaar verschillen relatief weinig in inkomen. Daarna wordt de inkomenskloof tussen beide seksen met het stijgen van de leeftijd steeds groter. Dat komt grotendeels doordat vrouwen dan vaker in deeltijd werken dan op jongere leeftijd (zie m/v-stat). Maar ook het verschil in uurloon neemt met de leeftijd toe (zie Kaart 7). Waar het inkomen van vrouwen tussen 30 en 50 jaar blijft steken op ongeveer 30 duizend euro, stijgt dat van mannen steeds verder. Wanneer vrouwen en mannen tegen de 60 lopen, is het inkomen vooral door een kortere werkweek weer kleiner.

Gemiddeld inkomen

persoonlijk inkomen

vrouw leeftijd inkomen
#1 17 10
#2 18 12.3
#3 19 15.1
#4 20 17.5
#5 21 19.8
#6 22 21.9
#7 23 23.6
#8 24 25.5
#9 25 27
#10 26 28.3
#11 27 29.3
#12 28 29.9
#13 29 30.4
#14 30 30.7
#15 31 31
#16 32 31.3
#17 33 31.8
#18 34 32
#19 35 32.2
#20 36 32.7
#21 37 33.1
#22 38 33.4
#23 39 33.6
#24 40 33.9
#25 41 34
#26 42 34.2
#27 43 34.5
#28 44 34.1
#29 45 34.4
#30 46 34.4
#31 47 34.2
#32 48 34.1
#33 49 33.8
#34 50 33.2
#35 51 33
#36 52 32.7
#37 53 32.1
#38 54 31.9
#39 55 31.4
#40 56 30.9
#41 57 30.8
#42 58 29.9
#43 59 29.6
#44 60 28.7
#45 61 28.1
#46 62 27.5
#47 63 26.5
#48 64 25.2
#49 65 24.4
man leeftijd inkomen
#1 17 14.3
#2 18 15.7
#3 19 18.6
#4 20 20.9
#5 21 23.6
#6 22 25.6
#7 23 27.5
#8 24 29.6
#9 25 32.1
#10 26 33.9
#11 27 36
#12 28 37.8
#13 29 39.4
#14 30 41.3
#15 31 42.7
#16 32 44.3
#17 33 45.4
#18 34 46.9
#19 35 48.1
#20 36 49.1
#21 37 50.6
#22 38 51.7
#23 39 52.2
#24 40 53.6
#25 41 54.5
#26 42 55.4
#27 43 56.6
#28 44 56.8
#29 45 57.7
#30 46 57.9
#31 47 58.4
#32 48 58.1
#33 49 58.9
#34 50 58.6
#35 51 58.7
#36 52 57.8
#37 53 57.6
#38 54 57.2
#39 55 56.8
#40 56 55.8
#41 57 55.8
#42 58 54.9
#43 59 54.3
#44 60 53.2
#45 61 52
#46 62 50.5
#47 63 49.1
#48 64 47.6
#49 65 45.8

aDe groepen 15- en 16-jarigen zijn te klein om te tonen.

bExclusief scholieren en studenten.

cVoorlopige cijfers.

Bron:CBS (Inkomensstatistiek '19)

Literatuur

Brakel, M. van den (2017). Financieel kwetsbare mannen. In: Statistische Trends, oktober 2017. Geraadpleegd 6 juli 2020 via https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2017/41/financieel-kwetsbare-mannen.

Brakel, M. van den, D. Herbers en K. Arts (2020). Financiële gevolgen van echtscheiding. In: Statistische Trends. Geraadpleegd 6 augustus 2020 via https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/statistische-trends/2020/financiele-gevolgen-van-echtscheiding.

CBS (2020). Materiële Welvaart in Nederland 2020. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek. Geraadpleegd 6 juli 2020 via https://www.cbs.nl/nl-nl/publicatie/2020/24/materiele-welvaart-in-nederland-2020.

Portegijs, W. (2018). Ons geld; Vrouwen en mannen over het belang van het inkomen en economische zelfstandigheid voor vrouwen. Den Haag; Sociaal en Cultureel Planbureau.

TK (2017/2018). Principes in de Praktijk. Emancipatiebeleid 2018-2021. Tweede Kamer, vergaderjaar 2017/2018, 30420, nr. 270, 29 maart 2018.

Deze kaart citeren

Brakel, M. van den et al. (2020). Emancipatiemonitor 2020: Hoeveel vrouwen zijn economisch zelfstandig?. Geraadpleegd op [datum vandaag] via https://digitaal.scp.nl/emancipatiemonitor2020/hoeveel-vrouwen-zijn-economisch-zelfstandig.

Informatie noten

De sociaal-economische positie van een persoon is vastgesteld op basis van inkomensbronnen en het volgen van onderwijs. Bij het bepalen van de sociaal-economische positie wordt groter gewicht toegekend aan inkomen uit eigen onderneming, omdat het resultaat uit onderneming laag of zelfs negatief kan zijn, terwijl de persoon hiervoor vele uren per week actief is. Ook aan inschrijving in voltijdonderwijs is bij de vaststelling van de sociaal-economische positie prioriteit toegekend. Personen zijn in deze gevallen alleen getypeerd als zelfstandig ondernemer respectievelijk scholier/student, indien geen substantiële inkomsten uit andere bronnen bij de persoon aanwezig waren. Scholieren en studenten zijn in deze monitor bij het bepalen van economische zelfstandigheid buiten beschouwing gebleven.

Met de deeltijdfactor wordt de relatieve arbeidsduur van de baan ten opzichte van een voltijdbaan in hetzelfde bedrijf of in dezelfde bedrijfssector (fte) bedoeld. De deeltijdfactor behoort bij de laatste maand van het betreffende onderzoeksjaar waarin als sociaal-economische positie ‘werknemer’ of ‘zelfstandige’ vastgesteld is. Bij een kleine deeltijdbaan ligt de deeltijdfactor onder de 30%, bij een middelgrote deeltijdbaan van 30% tot 60% en bij een grote deeltijdbaan van 60% tot 95%. Voor een voltijdbaan is uitgegaan van minimaal 95%.