CBSSCP

Emancipatiemonitor 2018

14 / 18

Steeds minder verschil tussen vrouwen van Nederlandse en niet-westerse herkomst?

Auteurs: Henk-Jan Dirven (CBS), Marijke Hartgers (CBS), Daniël Herbers (CBS) en Laura Wielenga-van der Pijl (CBS)

Meisjes met een niet-westerse migratieachtergrond doen het minder goed op school dan meisjes zonder migratieachtergrond. Het verschil is sinds 2007 wel kleiner geworden. De arbeidsparticipatie van vrouwen met een Nederlandse achtergrond is hoger en groeide vrijwel voortdurend, die van niet-westerse vrouwen pas vanaf 2015 weer. Daardoor nam het verschil tussen beide groepen aanvankelijk toe. Pas na 2015 werd het weer kleiner. Wel is de gemiddelde arbeidsduur van werkende vrouwen met een niet-westerse herkomst hoger dan die van vrouwen met een Nederlandse herkomst, al is het verschil de afgelopen tien jaar kleiner geworden.

Verschil in voortgezet onderwijs afgenomen

In 2017/’18 zat 37% van de meisjes met een niet-westerse achtergrond in het derde leerjaar van het voortgezet onderwijs op de havo of het vwo, tegenover 51% van de meisjes zonder migratieachtergrond. Tien jaar daarvoor was dat aandeel onder niet-westerse meisjes ruim 30%, terwijl het bij meisjes met een Nederlandse achtergrond iets minder dan de helft was. Ook meisjes van Turkse, Marokkaanse, Surinaamse en Antilliaanse afkomst zitten vaker op de havo of het vwo dan in 2007. De verschillen in het voortgezet onderwijs werden dus kleiner, maar zijn nog steeds aanzienlijk.

Meisjes op havo/vwo naar migratieachtergrond

aandeel meisjes in leerjaar 3 op havo of vwo, naar herkomst, 2007/’08 en 2017/’18 (a) (in procenten)

# Nederlands 2007/'08 Niet-westers 2007/'08 Nederlands 2017/'18 Niet-westers 2017/'18
havo 22.2 16 24.5 20.9
vwo 25.7 14.3 26.1 16.4

aVoorlopige cijfers.

Bron:CBS (Onderwijsstatistieken 2007/’08-2017/’18)

Niet-westerse vrouwen zijn relatief laagopgeleid

Na de schoolloopbaan blijven de verschillen bestaan: het hoogst behaalde onderwijsniveau van vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond is lager dan dat van vrouwen met een Nederlandse achtergrond. Bijna een derde deel had een laag onderwijsniveau en krap een kwart was hoogopgeleid. Van de vrouwen van Nederlandse herkomst daarentegen was 21% laag- en 36% hoogopgeleid. Vooral vrouwen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond hebben een relatief laag onderwijsniveau. Net als bij vrouwen met een Nederlandse achtergrond was het aandeel hoogopgeleide vrouwen met een niet-westerse achtergrond in 2017 wel groter dan in 2015, en het aandeel laagopgeleiden kleiner (zie m/v-stat).

Het onderwijsniveau van jonge vrouwen is hoger dan dat van oudere vrouwen. Zo zijn er onder 25-34-jarige vrouwen met een niet-westerse achtergrond inmiddels meer hoog- dan middelbaar en laagopgeleiden. Bij 35-plussers is dat andersom.

Onderwijsniveau naar migratieachtergrond

aandeel met hoog opleidingsniveau, naar herkomst, vrouwen 15-64 jaar (a), 2017 (in procenten)

# totaal 15-24 jaar 25-34 jaar 35-44 jaar 44-54 jaar 55-64 jaar
Nederlands 36 0.0 26 53 48 31 23
Niet-westers 24 0.0 14 35 24 19 15

aExclusief onderwijsvolgenden.

Bron:CBS (EBB’17)

Kwart van de niet-onderwijsvolgende vrouwen heeft migratieachtergrond

In 2017 had bijna een kwart van alle vrouwen (van 15 tot 65 jaar) die geen onderwijs volgen een migratieachtergrond. Er waren iets meer vrouwen met een niet-westerse dan met een westerse achtergrond, respectievelijk 13% en 11%. De grootste vier niet-westerse herkomstgroepen (met een achtergrond uit Turkije, Marokko, Suriname en voormalige Nederlandse Antillen) omvatten 8% van alle vrouwen. De Antilliaanse vrouwen vormen met krap 1% daarbinnen de kleinste groep.

Achterstand in arbeidsparticipatie recent iets kleiner

In 2017 had ruim driekwart van alle vrouwen (van 15-64 jaar) met een Nederlandse achtergrond die geen onderwijs volgen een betaalde baan. Naar migratieachtergrond loopt de arbeidsparticipatie flink uiteen. Met 54% is de arbeidsparticipatie van niet-westerse vrouwen relatief laag. Onder de grootste vier niet-westerse groepen hebben vrouwen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond duidelijk minder vaak betaald werk dan Surinaamse en Antilliaanse vrouwen.

Het verschil in arbeidsparticipatie tussen vrouwen van Nederlandse en niet-westerse herkomst is tussen 2008 en 2015 toegenomen. Dat kwam doordat de arbeidsparticipatie van vrouwen van Nederlandse herkomst toenam en van niet-westerse vrouwen daalde, zowel bij de eerste als bij de tweede generatie. Mensen van niet-westerse herkomst werden meer geraakt door de economische crisis, onder meer doordat zij vaker in flexibele banen werken (CBS 2016). Sinds 2015 zijn ook niet-westerse vrouwen weer steeds vaker aan het werk. Het verschil met vrouwen met een Nederlandse achtergrond neemt sindsdien weer af, vooral bij de tweede generatie. Maar de tweede generatie heeft, in tegenstelling tot vóór de economische crisis, nu minder vaak werk dan vrouwen van Nederlandse herkomst.

Arbeidsparticipatie naar migratieachtergrond

naar generatie

# 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017
Nederland 70 71 72 72 73 73 74 73 74 75 77
Niet-westers, eerste generatie 51 54 53 53 54 51 48 47 46 48 49
Niet-westers, tweede generatie 74 76 75 70 74 69 68 64 64 67 71
Niet-westers totaal 55 58 57 57 57 55 53 51 51 53 54

naar migratieachtergrond

# 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017
Nederland 70 71 72 72 73 73 74 73 74 75 77
Turkije 47 52 52 48 54 47 42 44 46 49 50
Marokko 45 47 46 47 47 43 45 40 38 48 44
Suriname 69 71 70 68 67 66 64 63 63 61 66
Voormalige Nederlandse Antillen 64 64 62 67 65 67 66 61 61 60 59

aExclusief onderwijsvolgenden.

Bron:CBS (EBB’07-’17)

Arbeidsduur naar migratieachtergrond

naar generatie

# 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017
Nederland 26 26 26 27 27 27 27 27 27 27 28
Niet-westers, eerste generatie 29 29 29 28 29 28 28 28 27 28 29
Niet-westers, tweede generatie 32 31 31 31 30 30 29 29 29 30 30
Niet-westers 30 30 29 29 29 29 28 28 28 29 29

naar migratieachtergrond

# 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017
Nederland 26 26 26 27 27 27 27 27 27 27 28
Turkije 29 28 27 27 28 27 27 27 26 27 27
Marokko 27 27 27 26 27 26 26 26 26 28 28
Suriname 31 31 31 31 31 31 30 30 31 31 31
Voormalige Nederlandse Antillen 32 32 30 31 30 30 28 30 30 30 30

a Exclusief onderwijsvolgenden.

Bron:CBS (EBB’07-’17)

Verschil in arbeidsduur afgenomen

Werkende vrouwen met een migratieachtergrond werken per week meer uren dan vrouwen met een Nederlandse achtergrond. Vrouwen met een Surinaamse of Antilliaanse achtergrond en tweede generatie niet-westerse vrouwen hebben de langste werkweek. Zij werken gemiddeld 30 uur of meer per week, zo’n twee à drie uur meer dan vrouwen zonder migratieachtergrond.

Sinds 2007 is de gemiddelde arbeidsduur van vrouwen met een Nederlandse achtergrond vrijwel steeds toegenomen. Ze zijn ook vaker voltijds gaan werken (zie m/v-stat). Bij vrouwen met een niet-westerse achtergrond was er jarenlang een afname van de arbeidsduur (en het aandeel voltijds werkenden onder hen). Pas sinds 2015 neemt deze weer toe. Het verschil in arbeidsduur tussen vrouwen van Nederlandse en van niet-westerse herkomst is door deze ontwikkelingen afgenomen van vier uur in 2007 naar minder dan twee uur in 2017.

Kloof in economische zelfstandigheid na 2014 kleiner

Ruim zes van de tien vrouwen van 15 jaar tot AOW-leeftijd (excl. scholieren en studenten) waren in 2017 economisch zelfstandig (zie Hoeveel vrouwen zijn economisch zelfstandig?). Onder vrouwen met een Nederlandse achtergrond was het aandeel economisch zelfstandigen 64%. Bij vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond was dat met 42% een stuk minder. Vrouwen van Surinaamse of Antilliaanse herkomst en tweede generatie niet-westerse vrouwen zijn dankzij hun gemiddeld hoge arbeidsparticipatie en lange werkweek relatief vaak economisch zelfstandig.

Terwijl de economische zelfstandigheid onder vrouwen van Nederlandse herkomst sinds 2011 voortdurend toenam, daalde die aanvankelijk onder niet-westerse vrouwen. Pas sinds 2014 stijgt ook bij niet-westerse vrouwen de economische zelfstandigheid weer. Deze ontwikkelingen zijn in lijn met die van de arbeidsdeelname en -duur onder beide groepen vrouwen. Het verschil in economische zelfstandigheid tussen vrouwen met een Nederlandse en een niet-westerse achtergrond is echter nog altijd groter dan in 2011.

Economische zelfstandigheid naar migratieachtergrond

naar generatie

# 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 (c)
Nederland 59.0 59.6 59.8 60.4 61.3 62.7 64.2
niet-westers, 1e generatie 36.1 35.3 34.5 34 34.2 34.8 35.4
niet-westers, 2e generatie 59.8 58.1 56 55.1 55.7 57.6 59.5
niet-westers totaal 40.8 40.1 39.2 38.9 39.4 40.4 41.7

naar herkomstland

# 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 (c)
Nederland 59.0 59.6 59.8 60.4 61.3 62.7 64.2
Turkije 30.3 29.9 29.4 29.5 30.6 32.5 34.3
Marokko 30.4 29.8 29.4 29.3 30.0 31.6 33.2
Suriname 60.3 59.1 57.4 56.5 56.7 57.4 58.9
Voormalige Nederlandse Antillen 55.7 54.5 52.9 52.1 52.1 53.0 55.1

aExclusief scholieren en studenten.

bVoorlopige cijfers.

Bron:CBS (Inkomensstatistiek ’11-’17)

Verschillen tussen mannen en vrouwen

In het onderwijs
Meisjes volgen vaker dan jongens de hogere onderwijsniveaus en voltooien hun opleiding ook vaker en sneller dan de jongens (zie Meisjes vlijtig door het onderwijs en jongens een flitsende loopbaanstart?). Binnen de onderscheiden groepen naar migratieachtergrond is dit niet anders. De verschillen onder personen met een niet-westerse achtergrond zijn zelfs groter dan onder degenen met een Nederlandse achtergrond. De man-vrouwverhouding onder de deelnemers aan bijvoorbeeld havo/vwo, mbo niveau 4 en onder de eerstejaarsstudenten hbo en wo is bij de groepen met een niet-westerse achtergrond sterker in het voordeel van de meisjes/vrouwen dan onder de deelnemers met een Nederlandse achtergrond.

Op de arbeidsmarkt
Vrouwen met een Nederlandse of een niet-westerse achtergrond hebben minder vaak betaald werk dan mannen met dezelfde achtergrond. Vrouwen van Turkse of Marokkaanse herkomst verschillen meer van mannen met dezelfde achtergrond dan Surinaamse of Antilliaanse vrouwen en vrouwen zonder migratieachtergrond. Dat geldt ook voor de arbeidsduur en de economische zelfstandigheid (zie m/v-stat).

Literatuur

CBS (2016). Jaarrapport Integratie 2016. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek.

CBS StatLine (2018a). VO; leerlingen, onderwijssoort, schoolregio en woonregio in detail. Geraadpleegd op 8 oktober 2018 via http://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/80042ned/table?dl=12D2B.

CBS StatLine (2018b). Mbo; deelnemers, niveau, leerweg, migratieachtergrond. Geraadpleegd op 15 oktober 2018 via http://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83852NED/table?dl=12D23.

CBS StatLine (2018c). Hoger onderwijs; eerste- en ouderejaarsstudenten. Geraadpleegd op 15 oktober 2018 via http://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/83538NED/table?dl=12E08.

Deze kaart citeren

Dirven (CBS), H.J., M. Hartgers (CBS), D. Herbers (CBS) en L. Wielenga-van der Pijl (CBS) (2018). Steeds minder verschil tussen vrouwen van Nederlandse en niet-westerse herkomst?. In: Emancipatiemonitor: 2018. Geraadpleegd op [datum vandaag] via https://digitaal.scp.nl/emancipatiemonitor2018/steeds-minder-verschil-tussen-vrouwen-van-nederlandse-en-niet-westerse-herkomst.

Informatie noten

Nederlandse achtergrond: wanneer beide ouders in Nederland zijn geboren. Niet-westerse migratieachtergrond: afkomstig uit een van de landen in Afrika, Latijns-Amerika en Azië (excl. Indonesië en Japan) of Turkije. Op grond van hun sociaal-economische en sociaal-culturele positie worden personen met een migratieachtergrond uit Indonesië en Japan tot de westerse migratieachtergrond gerekend. Dit betreft mensen die in het voormalig Nederlands-Indië zijn geboren en werknemers van Japanse bedrijven met hun gezin.

(Meer) cijfers over meisjes (en jongens) in het voortgezet onderwijs en op het mbo, hbo en wo zijn te vinden op CBS StatLine (2018a; 2018b; 2018c).

Laag onderwijsniveau omvat basisonderwijs, het vmbo, de eerste drie leerjaren van havo/vwo en de entreeopleiding, de voormalige assistentenopleiding (mbo niveau 1). Middelbaar onderwijsniveau omvat de bovenbouw van havo/vwo, de basisberoepsopleiding (mbo niveau 2), de vakopleiding (mbo niveau 3) en de middenkader- en specialistenopleidingen (mbo niveau 4). Hoog onderwijsniveau omvat onderwijs op het niveau van hbo of wo.

Vanwege wijzigingen in waarneming en verwerking van de gegevens zijn de uitkomsten in deze bijdrage over het onderwijsniveau van personen met een migratieachtergrond in 2015 en 2017 niet vergeleken met de uitkomsten van eerdere jaren.

Het aandeel van de werkzame beroepsbevolking in de bevolking (beroeps- en niet-beroepsbevolking). Deze definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking). De gegevens worden meestal gepresenteerd voor de bevolking van 15 tot 75 jaar, maar in deze publicatie hebben de uitkomsten betrekking op de bevolking van 15 tot 65 jaar, exclusief onderwijsvolgenden.

Iemand is economisch zelfstandig als hij/zij tenminste 70% van het minimumloon verdient; dat is het bijstandsniveau voor een alleenstaande. In 2017 is dat een netto-inkomen van 950 euro per maand.