CBSSCP

Emancipatiemonitor 2018

13 / 18

Nemen verschillen tussen hoog- en laagopgeleide vrouwen af?

Auteurs: Jesper van Thor (CBS) en Daniël Herbers (CBS)

Vrouwen werken vaker en meer uren naarmate hun onderwijsniveau hoger is. Op zowel laag, middelbaar als hoog onderwijsniveau waren de arbeidsdeelname en de wekelijkse arbeidsduur van vrouwen in 2017 hoger dan in 2007. Maar de verschillen tussen hoog- en laagopgeleide vrouwen zijn in die periode niet kleiner geworden. Hoogopgeleide vrouwen zijn beduidend vaker economisch zelfstandig dan lageropgeleide vrouwen. Het verschil is sinds 2015 iets kleiner geworden door een lichte groei bij de lageropgeleiden.

Arbeidsdeelname van laagopgeleide vrouwen blijft achter

De nettoarbeidsparticipatie van laagopgeleide vrouwen loopt met 49% in 2017 duidelijk achter op die van vrouwen met een middelbaar (75%) en hoog (86%) onderwijsniveau. Op alle onderwijsniveaus is de arbeidsdeelname van vrouwen in 2017 hoger dan tien jaar eerder, ondanks de terugvallen tijdens de economische crisis. De verschillen tussen laag- en hoogopgeleiden piekten in 2014. Daarna krompen ze weer en zijn in 2017 niet anders dan in 2007.

Arbeidsparticipatie naar onderwijsniveau

nettoarbeidsparticipatie, naar hoogst behaalde onderwijsniveau, niet-onderwijsvolgende vrouwen van 15-64 jaar, 2007- 2017 (in procenten)

# 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017
laag 48 50 49 49 50 50 50 47 49 49 49
middelbaar 73 75 75 75 75 75 73 73 73 74 75
hoog 84 85 85 85 85 85 86 85 86 86 86

Bron:CBS (EBB’07-’17)

Werkweek van hoogopgeleide vrouwen het langst

De gemiddelde werkweek van vrouwen is langer naarmate het onderwijsniveau hoger is. Laagopgeleiden werkten in 2017 gemiddeld 24 uur per week, onder middelbaar opgeleide vrouwen was de gemiddelde arbeidsduur 26 uur en onder hoogopgeleide vrouwen was dit 31 uur. Daarmee werken vrouwen op het hoogste onderwijsniveau gemiddeld bijna een werkdag langer dan degenen op het laagste niveau.

De arbeidsduur van vrouwen is niet alleen gemiddeld (zie Gaan vrouwen steeds meer werken?), maar ook op alle onderwijsniveaus tussen 2007 en 2017 licht toegenomen. Het verschil tussen hoog- en laagopgeleide vrouwen werd niet kleiner.

Arbeidsduur naar onderwijsniveau

arbeidsduur (uren per week)

# laag middelbaar hoog
2007 23 26 30
2017 24 26 31

aandeel voltijders (%)

# laag middelbaar hoog
2007 19 26 37
2017 19 23 39

Bron:CBS (EBB’07 en ’17)

Iets meer voltijds werkenden onder hoogopgeleide vrouwen dan tien jaar geleden

Het aandeel voltijds werkenden onder werkende vrouwen is groter naarmate het onderwijsniveau hoger is. Onder hoogopgeleide vrouwen is dat aandeel ruim twee keer zo groot als onder laagopgeleide vrouwen: 39% versus 19% in 2017. Ten opzichte van 2007 is het aandeel voltijds werkenden onder laag- en middelbaar opgeleide vrouwen in 2017 kleiner. Bij hoogopgeleide vrouwen was tussen 2007 en 2017 sprake van een lichte toename. Het verschil met laag- en middelbaar opgeleiden werd daarmee iets groter.

Hogeropgeleide vrouwen vaker economisch zelfstandig

Het aandeel economisch zelfstandige vrouwen groeit al enkele jaren (zie Hoeveel vrouwen zijn economisch zelfstandig?). In 2017 was ruim 60% van de vrouwen tussen de 15 jaar en AOW-leeftijd (excl. scholieren en studenten) economisch zelfstandig. Dit aandeel ligt een stuk hoger onder hoogopgeleide vrouwen. Van deze groep was 80% economisch zelfstandig, tegenover respectievelijk 62% en 31% van de middelbaar en laagopgeleide vrouwen. Voor alle drie de onderwijsniveaus veranderde het aandeel economisch zelfstandige vrouwen in de jaren tijdens de economische crisis nauwelijks, maar vanaf 2015 is het bij laag- en middelbaar opgeleiden gegroeid. Daardoor nam het verschil in economische zelfstandigheid met hoogopgeleiden licht af.

Economische zelfstandigheid naar onderwijsniveau

economische zelfstandigheid, naar hoogst behaalde opleidingsniveauonderwijsniveau, vrouwen van 15 jaar tot AOW-leeftijd (a), 2011-2017 (in procenten)

# 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 (b)
laag 28.9 28.7 28.4 28.3 28.6 30.2 31.3
middelbaar 59.8 59.5 58.7 58.5 58.8 60.6 61.9
hoog 79.1 78.8 78.5 78.7 79.3 80.1 79.5

Bron:CBS (Inkomensstatistiek ’11-’17)

Man-vrouwverschillen per onderwijsniveau

Het verschil in nettoarbeidsparticipatie tussen vrouwen en mannen is groter onder laagopgeleiden dan onder middelbaar en hoogopgeleiden. In 2017 werkte 72,4% van de laagopgeleide mannen en van de laagopgeleide vrouwen was 49% aan het werk. Onder middelbaar opgeleiden was de arbeidsdeelname van vrouwen 11 procentpunten lager. Onder hoogopgeleiden was dit verschil met 6 procentpunten het kleinst. De arbeidsdeelname van hoogopgeleide vrouwen is vrijwel gelijk aan die van middelbaar opgeleide mannen. De arbeidsdeelname van middelbaar opgeleide vrouwen benadert die van laagopgeleide mannen (zie m/v-stat).

Het verschil in arbeidsduur is het grootst tussen laagopgeleide vrouwen en mannen. In 2017 werkten laagopgeleide vrouwen wekelijks gemiddeld vijftien uur minder dan mannen met hetzelfde onderwijsniveau. Onder hoogopgeleiden was het verschil gemiddeld zes uur per week.

Binnen elk onderwijsniveau werken vrouwen fors minder in voltijd dan mannen. Wel is dit verschil kleiner naarmate het onderwijsniveau hoger is. Zo werkte minder dan twee op de tien laagopgeleide vrouwen met betaald werk in 2017 voltijds, terwijl dit er bij hun mannelijke collega’s ruim acht op de tien waren; een verschil van 64 procentpunten. Onder middelbaar opgeleiden was het percentage voltijds werkenden onder vrouwen 60 procentpunten lager dan mannen. Onder hoogopgeleiden was het verschil het kleinst, maar nog altijd 44 procentpunten. Van de werkende mannen heeft ruim 80% een voltijdbaan, ongeacht het onderwijsniveau (zie m/v-stat).

Mannen zijn vaker economisch zelfstandig dan vrouwen (79% versus 60% in 2017). De achterstand van vrouwen op mannen in economische zelfstandigheid is groter naarmate het onderwijsniveau lager is. De economische zelfstandigheid onder laagopgeleide vrouwen in 2017 is 32 procentpunten lager dan onder laagopgeleide mannen. Onder hogeropgeleiden is het verschil met 8 procentpunten een stuk kleiner. Een verklaring voor het grote verschil onder laagopgeleiden is dat deze groep vrouwen vaker in deeltijd werkt dan middelbaar en hogeropgeleiden. Het verschil tussen mannen en vrouwen is tussen 2011 en 2017 wel iets kleiner geworden onder laagopgeleiden. In de twee hogere opleidingsgroepen bleef het verschil stabiel (zie m/v-stat).

Deze kaart citeren

Thor (CBS), J. van en D. Herbers (CBS) (2018). Nemen verschillen tussen hoog- en laagopgeleide vrouwen af?. In: Emancipatiemonitor: 2018. Geraadpleegd op [datum vandaag] via https://digitaal.scp.nl/emancipatiemonitor2018/nemen-verschillen-tussen-hoog--en-laagopgeleide-vrouwen-af.

Informatie noten

Laag onderwijsniveau omvat basisonderwijs, het vmbo, de eerste drie leerjaren van havo/vwo en de entreeopleiding, de voormalige assistentenopleiding (mbo niveau 1). Middelbaar onderwijsniveau omvat de bovenbouw van havo/vwo, de basisberoepsopleiding (mbo niveau 2), de vakopleiding (mbo niveau 3) en de middenkader- en specialistenopleidingen (mbo niveau 4). Hoog onderwijsniveau omvat onderwijs op het niveau van hbo of wo.

De nettoarbeidsparticipatie geeft de deelname aan betaalde arbeid weer. In deze Emancipatiemonitor wordt het aantal niet-onderwijsvolgende werkenden van 15-64 jaar afgezet tegen het totaal aantal niet-onderwijsvolgende mensen in die leeftijdsgroep. Hierdoor wijken de gepresenteerde cijfers af van de reguliere CBS-cijfers voor de nettoarbeidsparticipatie. Laatstgenoemde hebben betrekking op de totale groep 15-75-jarigen en zijn daarom lager. De ontwikkeling van beide cijfers laat echter een vergelijkbaar beeld zien.

Iemand is economisch zelfstandig als hij/zij tenminste 70% van het minimumloon verdient; dat is het bijstandsniveau voor een alleenstaande. In 2017 is dat een netto-inkomen van 950 euro per maand.