CBSSCP

Emancipatiemonitor 2018

8 / 18

Hoeveel vrouwen zijn economisch zelfstandig?

Auteurs: Daniël Herbers (CBS) en Wil Portegijs (SCP)

Het aandeel economisch zelfstandige vrouwen neemt vooral sinds 2014 toe en komt in 2017 uit op ruim 60%; een stijging van 3,5 procentpunten. De overige 40% heeft een uitkering, een baan die te weinig inkomen oplevert om van te kunnen leven of helemaal geen eigen inkomen. Bij mannen is 79% economisch zelfstandig; 2 procentpunten meer dan in 2014. De overige mannen hebben meestal een uitkering. De meeste vrouwen vinden het belangrijk om genoeg te verdienen om van te kunnen leven. Vrouwen met partner en kinderen vinden dit minder vaak noodzakelijk.

Vrouwen staan financieel steeds vaker op eigen benen

Het aandeel economisch zelfstandige vrouwen tussen 15 jaar en de AOW-leeftijd (uitgezonderd scholieren en studenten) stijgt al een aantal jaren. Dit is in lijn met een belangrijke doelstelling van het emancipatiebeleid. Tussen 2007 en 2017 steeg dat aandeel van 52% naar ruim 60%. Gedurende de crisis bleef het aandeel economisch zelfstandige vrouwen min of meer stabiel, en bij mannen was er een lichte daling. Sinds 2014 is er weer een toename in economische zelfstandigheid, ook bij mannen. Het verschil in economische zelfstandigheid tussen mannen en vrouwen is afgenomen.

Van alle vrouwen zijn alleenstaande moeders en oudere vrouwen met een partner zonder (thuiswonende) kinderen het minst vaakst economisch zelfstandig (zie m/v-stat). De economische zelfstandigheid van moeders met een partner is bovengemiddeld, en bovendien zijn ze bezig aan een inhaalslag (zie Welke gevolgen heeft ouderschap voor werk en economische zelfstandigheid?). Vrouwen met een hoger opleidingsniveau zijn vaker economisch zelfstandig dan vrouwen met een laag opleidingsniveau. Het verschil tussen laagopgeleiden en middelbaar en hoogopgeleiden is tussen 2011 en 2016 wel iets kleiner geworden (zie Nemen verschillen tussen hoog- en laagopgeleide vrouwen af?). Daarnaast zijn vrouwen met een Nederlandse achtergrond vaker economisch zelfstandig dan vrouwen met een migratieachtergrond. Bovendien is dat verschil groter geworden tussen 2011 en 2016 (zie Steeds minder verschil tussen vrouwen van Nederlandse en niet-westerse herkomst?).

Sterke stijging financiële onafhankelijkheid vrouwen sinds 2014

Omdat 950 euro per maand niet genoeg is om met kinderen zelfstandig van te leven, hanteert de overheid sinds begin 2018 een tweede maat voor het meten van de vordering van het emancipatiebeleid: financiële onafhankelijkheid (TK 2017/2018). Daarbij gaat het om een inkomen uit eigen arbeid van ten minste het wettelijk minimumloon. Het aandeel financieel onafhankelijke vrouwen (en mannen) is uiteraard lager dan het aandeel economisch zelfstandigen. Sinds 2011 is er een stijging te zien in het aandeel financieel onafhankelijke vrouwen. Vooral sinds 2014 is de groei sterk: tot 50% in 2017. Onder mannen daalde de financiële onafhankelijkheid vanaf 2007, maar is er sinds 2014 weer lichte stijging. In 2017 was driekwart van hen financieel onafhankelijk. De financiële onafhankelijkheid is weliswaar groter onder mannen, maar de vrouwen lopen in.

Economische zelfstandigheid

economische zelfstandigheid en financiële onafhankelijkheid, personen van 15 jaar tot AOW-leeftijd excl. scholieren/studenten, 2007-2017 (in procenten)

# 2007 2008 2009 2010 2011 (b) 2012 2013 2014 2015 2016 2017 (c)
economische zelfstandigheid vrouw 2007-'11 51.8 53.6 54.1 54.3 55.2
economische zelfstandigheid vrouw 2011-'17 56.5 56.8 56.7 57.1 57.9 59.1 60.5
economische zelfstandigheid man 2007-'11 79.1 79.5 78.2 77.3 77.8
economische zelfstandigheid man 2011-'17 78.9 78.2 77.3 77.5 78.2 78.7 79.4
financiële onafhankelijkheid vrouw 2007-'11 42 39.5 40.6 40.6 41.8
financiële onafhankelijkheid vrouw 2011-'17 42.3 42.6 43.5 44.8 45.9 48.4 49.8
financiële onafhankelijkheid man 2007-'11 75.6 74.3 72.9 71.8 72.3
financiële onafhankelijkheid man 2011-'17 73.1 72.3 71.6 72 72.7 73.8 74.6

aExclusief scholieren/studenten.

bDe Inkomensstatistiek is in 2011 gereviseerd. Op dat moment is overgestapt van een steekproef naar integrale gegevens.

cVoorlopige cijfers.

Bron:CBS (Inkomensstatistiek ’07-’17)

Meerderheid van de vrouwen vindt het belangrijk financieel op eigen benen te staan

De meeste vrouwen vinden een eigen inkomen belangrijk, vooral om het (samen) financieel goed te hebben en om in hun eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. Mannen vinden dit nog belangrijker. Zij hebben ook vaker dan vrouwen het gevoel dat ze moeten werken omdat hun inkomen niet kan worden gemist.

Belang inkomen en economische zelfstandigheid

vrouwen

mannen

ik wil in mijn werk doorgroeien naar een hoger salaris

51

57

ik vind het belangrijk geld te verdienen zodat ik/wij het financieel goed hebben

78

85

ik vind het belangrijk om zelf zoveel te verdienen dat ik in mijn eigen levensonderhoud en dat van mijn eventuele kinderen kan voorzien

73

88

ik moet wel werken, want mijn inkomen kan niet gemist worden

54

76

aExclusief scholieren/studenten en mensen met (pre)pensioen.

bSignificante verschillen (p < 0,05) zijn vetgedrukt.

Bron:SCP (EMOP’18)

Het belang dat vrouwen en mannen aan hun eigen inkomen hechten, hangt samen met hun huishoudenssituatie. Vrouwen die samenwonen met een partner hebben minder vaak het gevoel te moeten werken omdat hun inkomen niet kan worden gemist, zeker als ze kinderen hebben. Mannen met een partner en kinderen geven juist vaker dan alleenstaande mannen aan dat hun inkomen niet kan worden gemist. Ook vinden vrouwen die samenwonen met een partner, zeker als ze kinderen hebben, het minder vaak belangrijk om zelf genoeg te verdienen voor het eigen levensonderhoud dan vrouwen zonder partner (zie bijlage). Veel vrouwen en mannen vinden dat als je samenwoont, het niet uitmaakt wie wat verdient, zolang er genoeg inkomen binnenkomt om samen van te leven (Portegijs 2018).

Werkende mannen vaker economisch zelfstandig dan werkende vrouwen

Werkende vrouwen zijn minder vaak economisch zelfstandig dan werkende mannen. Van de werkende mannen heeft 90% een inkomen boven de norm van economische zelfstandigheid, tegenover 77% van de werkende vrouwen. Dat komt vooral doordat vrouwen veel vaker in deeltijd werken; slechts twee van de tien werkende mannen hebben een deeltijdbaan, tegenover ruim zeven van de tien vrouwen (zie Gaan vrouwen steeds meer werken?). Een voltijds werkweek levert vrouwen – net als mannen – vrijwel altijd een inkomen op boven het bijstandsniveau van een alleenstaande. In de weinige gevallen waarin dat niet zo is, gaat het vaak om zelfstandigen die weinig winst maakten of verlies leden. Deeltijdwerkers zijn minder vaak economisch zelfstandig dan voltijders. Vrouwen met een deeltijdbaan zijn het vaker dan mannen. Het verschil in het aandeel economisch zelfstandigen is vooral groot tussen vrouwen en mannen die tussen 0,3 en 0,6 vte werken: 51% van de vrouwen tegenover 38% van de mannen in deze groep is economisch zelfstandig. Dit komt doordat mannen met een deeltijdbaan vaker jong en laagopgeleid zijn, en meer dan vrouwen met een deeltijdbaan op een laag beroepsniveau werken (Van den Brakel en Leufkens 2011).

Economische zelfstandigheid en deeltijd

economische zelfstandigheid naar deeltijdfactor, personen met inkomen uit werk van 15 jaar tot AOW-leeftijd excl. scholieren/studenten, 201*) (in procenten)

# <0,30 vte 0,30 - 0,60 vte 0,60 - 0,95 vte ≥ 0,95 vte
vrouw 6 51 90 97
man 16 38 82 98

aExclusief scholieren/studenten.

bVoorlopige cijfers. De deeltijdfactor over 2017 is pas begin 2019 beschikbaar. Economische zelfstandigheid (per vte-klasse) wordt daarom in deze figuur, anders dan in de rest van deze publicatie, voor 2016 gepresenteerd.

Bron:CBS (Inkomensstatistiek ’16)

Vrouwen vaker dan mannen werkzaam zonder economisch zelfstandig te zijn

Voor 13% van de vrouwen is werk weliswaar de belangrijkste inkomensbron, maar ze zijn er niet economisch zelfstandig mee. Bij mannen is dat aandeel 5%. Bij hen is een uitkering relatief vaak debet aan hun economische onzelfstandigheid. Een op de tien vrouwen heeft geen eigen inkomen. Vrijwel altijd zijn dit gehuwde of samenwonende vrouwen die voor hun levensonderhoud afhankelijk zijn van hun partner.

Economische zelfstandigheid naar inkomstenbron

economische zelfstandigheid en belangrijkste inkomensbron, personen van 15 jaar tot AOW leeftijd, exclusief scholieren en studenten, 2017 (a) (in procenten)

# vrouw man
economisch zelfstandig 60.4 79.4
niet economisch zelfstandig; werk 13.6 5.5
niet economisch zelfstandig; uitkering 16.9 13.4
niet economisch zelfstandig; geen inkomen 9.1 1.7

aExclusief scholieren en studenten.

bVoorlopige cijfers.

Bron:CBS (Inkomensstatistiek ’17)

Het gemiddelde persoonlijk inkomen van alle vrouwen tussen 15 jaar en AOW-leeftijd (excl. scholieren en studenten) is 28.900 euro. Dat is 56% van het inkomen van mannen (47.400 euro) (2017-cijfers). Het lagere inkomen van vrouwen komt vooral doordat ze meestal in deeltijd werken (zie Gaan vrouwen steeds meer werken?). Daarnaast gaat onder meer het werken in minder goed betaalde sectoren en beroepen gepaard met een lager uurloon dan mannen (zie Neemt het loonverschil tussen mannen en vrouwen af?). Als gevolg van een lager inkomen uit betaald werk wordt er minder werkgerelateerd pensioen opgebouwd en komt bij verlies van werk de werkloosheids- of arbeidsongeschiktheidsuitkering van een vrouw lager uit.

Literatuur

Brakel, M. van den, en K. Leufkens (2011). Economische zelfstandigheid van werkende mannen en vrouwen. In: Sociaaleconomische trends, 1e kwartaal 2011. Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Portegijs, W. (2018). Ons geld.Vrouwen en mannen over het belang van het inkomen en economische zelfstandigheid voor vrouwen. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

TK (2017/2018). Emancipatiebeleid. Brief van de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aan de Tweede Kamer van 29 maart 2018. Tweede Kamer, vergaderjaar 2017/2018, 30420, nr. 270.

Deze kaart citeren

Herbers (CBS), D. en W. Portegijs (SCP) (2018). Hoeveel vrouwen zijn economisch zelfstandig?. In: Emancipatiemonitor: 2018. Geraadpleegd op [datum vandaag] via https://digitaal.scp.nl/emancipatiemonitor2018/hoeveel-vrouwen-zijn-economisch-zelfstandig.

Informatie noten

Economische zelfstandigheid is een begrip dat beleidsmatig is verbonden met het bestaansminimum. In het emancipatiebeleid wordt iemand als economisch zelfstandig beschouwd als het individuele netto-inkomen uit arbeid en eigen onderneming op of boven de drempelwaarde ligt van de beleidsnorm voor het individuele inkomensminimum. Die drempelwaarde is gelijkgesteld aan 70% van het wettelijke nettominimumloon, oftewel de nettobijstand van een alleenstaande. In 2017 bedroeg de grens voor economische zelfstandigheid 950 euro per maand.

Genoemde cijfers verschillen met de cijfers in de vorige edities van de Emancipatiemonitor. Dat komt door de verandering van de doelpopulatie: voorheen 20-64-jarigen, nu mensen van 15 jaar tot AOW-leeftijd exclusief scholieren en studenten.

Financiële onafhankelijkheid wordt door het emancipatiebeleid omschreven als voldoende financiële armslag hebben om jezelf en je eventuele kinderen te kunnen onderhouden. Iemand wordt als financieel onafhankelijk beschouwd als het individuele nettojaarinkomen uit arbeid en eigen onderneming minimaal 100% van het wettelijk nettominimumloon in het verslagjaar is. Het CBS hanteert al langer de term financiële onafhankelijkheid, maar met een andere definitie. In de CBS-definitie behelst het begrip financiële onafhankelijkheid het ‘kunnen rondkomen van een eigen inkomen’. Niet alleen inkomen uit arbeid en eigen onderneming, maar ook overdrachten van sociale verzekeringen (gebaseerd op eigen vroegere arbeid) dragen volgens de CBS-definitie bij tot financiële onafhankelijkheid. Inkomen in de vorm van uitkeringen op grond van sociale voorzieningen (bijstandsuitkering e.d.) wordt niet beschouwd als bijdragend aan financiële onafhankelijkheid. De grens tussen wel of niet financieel onafhankelijk zijn, is in de CBS-definitie gelegd bij de lage-inkomensgrens die het CBS in armoederapportages hanteert. De lage-inkomensgrens vertegenwoordigt een door de jaren heen vast koopkrachtbedrag.

Deeltijdfactor oftewel voltijdequivalent (vte): de relatieve arbeidsduur van de baan ten opzichte van een voltijdbaan in hetzelfde bedrijf of in dezelfde sector. Bij een deeltijdbaan ligt de deeltijdfactor onder de 95%, voor een voltijdbaan is uitgegaan van minimaal 95%.

Het persoonlijk inkomen omvat loon, winst, uitkeringen, inkomensverzekeringen (zoals AOW en werkloosheids- en arbeidsongeschiktheidsuitkeringen), uitkeringen sociale voorzieningen (zoals bijstandsuitkeringen en studiefinanciering) en de ontvangen partneralimentatie. Premies voor inkomensverzekeringen (bv. tegen werkloosheid of arbeidsongeschiktheid) zijn in mindering gebracht. Inkomenscomponenten die niet aan een afzonderlijke persoon kunnen worden toegeschreven, blijven buiten beschouwing. Dit zijn inkomsten uit vermogen, huurtoeslag, rijksbijdrage eigen woning, betaalde partneralimentatie, tegemoetkoming studiekosten en kinderbijslag. Inkomstenbelasting blijft eveneens buiten beschouwing, omdat die ook afhankelijk is van het inkomen van eventuele andere gezinsleden.