CBSSCP

Emancipatiemonitor 2018

2 / 18

En ze leefden nog lang en gelukkig...?

Auteurs: Saskia te Riele (CBS) en Linda Moonen (CBS)

Vrouwen gaan gemiddeld op hun 25e samenwonen, krijgen hun eerste kind als ze bijna 30 zijn, en trouwen anderhalf jaar daarna. Mannen zijn gemiddeld drie jaar ouder als ze vader worden, en twee jaar ouder als ze gaan samenwonen of trouwen. Bijna vier op de tien huwelijken houden echter geen stand en ongehuwd samenwonenden gaan nog vaker uit elkaar. Ruim een op de vijf vrouwen van 30 tot 50 jaar heeft geen partner en vaak wel kinderen. Zij zijn over het algemeen minder gelukkig dan vrouwen en mannen met partner. Op latere leeftijd neemt het aandeel dat geen partner heeft snel toe, vooral bij vrouwen. Dat komt vooral doordat zij gemiddeld langer leven dan mannen.

Vrouwen gaan jonger uit huis

Vrouwen gaan doorgaans op jongere leeftijd uit huis dan mannen. Ze waren in 2016 gemiddeld genomen 22,6 jaar bij het verlaten van het ouderlijk huis en mannen 24,3 jaar. Deze gemiddelden zijn in tien jaar tijd gestegen; bij vrouwen meer dan bij mannen. Het verschil tussen mannen en vrouwen is daardoor wat kleiner geworden. Flexibilisering van de arbeidsmarkt en een stagnerende woningmarkt speelden daarbij waarschijnlijk een rol (Van Duin et al. 2016), maar vooral ook de invoering van het studievoorschot.

Vanuit het ouderlijk huis gaat ongeveer de helft alleen wonen. Rond een derde deel gaat samenwonen met een partner en de rest vormt met anderen een huishouden (De Jong en Huisman te verschijnen). Vrouwen stappen wat vaker direct vanuit het ouderlijk huis in een relatie dan mannen. Zij zijn jonger als ze voor het eerst gaan samenwonen: gemiddeld 25,4 jaar en mannen gemiddeld 27,4 jaar.

Levensloop

Vrouwen
Mannen
Levensloopgebeurtenis Vrouwen 2017 Mannen 2017 Vrouwen 2007 Mannen 2007
Uit huis gaan 22,6 (a) 24,3 (a) 21,6 23,6
Geboorte eerste kind (b) 29,8 32,7 29,4 32,5
Eerste huwelijk (c) 31,5 33,9 30 32,8
Pensioen 64,4 65,1 60,8 (d) 61 (d)
Levensverwachting (e) 83,3 80,3 82,3 78
Leeftijd

aLeeftijd bij uit huis gaan in 2016. Voor meer uitleg zie De Jong en Huisman (te verschijnen).

bLeeftijd op 31 december van het jaar waarin het kind is geboren.

cLeeftijd op 31 december van het jaar waarin het huwelijk is gesloten. Geregistreerd partnerschappen zijn niet meegeteld.

dPensioenleeftijd in 2006. Voor meer uitleg zie CBS (2018a).

eLevensverwachting bij geboorte (zie ook Vrouwen leven langer, maar zijn ze ook gezonder?).

Bron:CBS (Bevolkingsstatistiek ’07, ’16, ’17; Stelsel van Sociaal-statistische Bestanden ’06, ’17)

Trouwleeftijd schuift op

Samenwonen gaat allang niet meer automatisch gepaard met een huwelijk. De leeftijd bij het eerste huwelijk – als dat er al komt – is mede daardoor steeds verder opgeschoven. Vrouwen waren in 2017 gemiddeld 31,5 jaar, mannen bijna tweeënhalf jaar ouder. In 2007 waren vrouwen 30 jaar en mannen bijna 33 bij het eerste huwelijk. Aan het begin van de jaren zeventig, toen het gebruikelijk was om jong te trouwen, waren vrouwen nog geen 23 jaar als ze trouwden. Ook toen waren mannen gemiddeld zo’n twee jaar ouder (CBS StatLine 2018a).

Steeds later moeder

Sinds de jaren zeventig is de gemiddelde leeftijd waarop vrouwen voor het eerst moeder worden steeds hoger geworden. Aan deze stijging leek een eind te zijn gekomen: vanaf 2004 lag de leeftijd bij het eerste moederschap een tijdlang op 29,4 jaar. De laatste jaren worden vrouwen echter weer later moeder, met gemiddeld 29,8 jaar in 2017. Mannen waren bij de komst van het eerste kind van hun partner bijna drie jaar ouder.

Een van de redenen voor het verdere uitstel van het ouderschap wordt gezocht in de toegenomen onzekerheid waar jongvolwassenen mee te maken hebben. Het duurt langer voordat ze een vaste baan en een geschikte woning hebben, en voor velen zijn dat voorwaarden voor de start van een gezin. Van de jongeren van 24 jaar die hun opleiding hebben afgerond, had in 2007 65% een vaste baan als werknemer, in 2017 was dat 47% (CBS StatLine 2018b).

Daarnaast speelt de groei van het aantal vrouwen in het hoger onderwijs een rol (zie Meisjes vlijtig door het onderwijs en jongens een flitsende loopbaanstart?). Jonge vrouwen combineren hun opleiding meestal niet met het moederschap en na hun opleiding willen ze vaak eerst gaan werken. Hoogopgeleide vrouwen beginnen dan ook later aan kinderen dan vrouwen met een lager opleidingsniveau. Van de generatie geboren in 1980 was op 30-jarige leeftijd twee derde deel van de laagopgeleide vrouwen moeder; van de middelbaar opgeleiden was dat ruim de helft en van de hoogopgeleide vrouwen een derde deel (CBS 2017).

Pensioenleeftijd steeds hoger

Ouderen zijn tot op hogere leeftijd actief op de arbeidsmarkt dan tien jaar geleden. Mannen waren in 2017 gemiddeld iets ouder dan 65 jaar bij hun pensioen, vrouwen waren ruim 64 jaar. Voor mannen is de pensioenleeftijd in tien jaar tijd met ruim vier jaar gestegen, vrouwen zijn nu drieënhalf jaar ouder dan in 2006 (CBS 2018a).

Vrouwen vaker alleenstaand dan mannen, maar het verschil wordt kleiner

Een deel van de mannen en vrouwen woont alleen. Op latere leeftijd is verweduwing daar vaak de oorzaak van. Oudere vrouwen wonen veel vaker alleen dan oudere mannen. Dat komt doordat ze gemiddeld ouder worden. Hun levensverwachting was in 2017 ruim 83 jaar, voor mannen was dat iets meer dan 80 jaar (zie Vrouwen leven langer, maar zijn ze ook gezonder?). Wel is de levensverwachting van mannen wat sneller gestegen dan die van vrouwen, waardoor het aandeel alleenstaande vrouwen boven de 65 jaar tussen 2007 en 2018 is gedaald (van 53% naar 47%).

Alleenwonend naar leeftijd

aandeel alleenstaanden en alleenstaande ouders (a), 2018

# vrouw alleenstaand vrouw alleenstaande ouder man alleenstaand man alleenstaande ouder
≥ 95 94.9 0 78.9 0
90-94 91.2 0 60 0
85-89 80.5 0 42 0
80-84 64.1 0 29 0
75-79 47.6 0 22.2 0
70-74 35.2 0 19.5 0
65-69 29 0 20 0.1
60-64 26.1 0.1 21.5 0.2
55-59 24.1 1.2 22.6 0.7
50-54 20 5.2 22.3 1.6
45-49 14 10.8 21.5 2.3
40-44 11 12.3 21.9 1.9
35-39 11.5 10.9 23.6 1
30-34 16.4 8.2 27.8 0.4
25-29 25.3 4.6 32.7 0.1
20-24 27.9 1.5 26 0
15-19 6.1 0.1 5.1 0

aAlleenstaande ouders met een jongste kind tot 18 jaar; bij de alleenstaanden zijn ook personen in een institutioneel huishouden en alleenstaande ouders met meerderjarige kinderen meegeteld.

Bron:CBS (Bevolkingsstatistiek ’18)

Meer alleenstaande moeders dan vaders

Het echtscheidingspercentage is al enkele jaren bijna 40%. Samenwoonrelaties zijn nog minder stabiel. Na een scheiding gaan kinderen in de meeste gevallen bij hun moeder wonen. Vrouwen zijn daardoor vaker alleenstaande ouder dan mannen. Meer dan 10% van de vrouwen tussen 35 en 40 jaar woont alleen met kinderen, bij mannen is dat 1%. Mannen in die leeftijdsgroep zijn juist vaker alleenstaand. In een kwart van de gevallen kiezen gescheiden paren voor co-ouderschap.

Onder alle huishoudens met minderjarige kinderen is het aandeel alleenstaande ouders tussen 2007 en 2018 toegenomen van ruim 15% naar 19%. De economische zelfstandigheid van alleenstaande ouders, vooral moeders, is doorgaans lager dan gemiddeld (zie Hoeveel vrouwen zijn economisch zelfstandig?).

Minder gelukkig zonder partner

In de periode 2016-2017 was 88% van de volwassenen in Nederland volgens eigen zeggen gelukkig; vrouwen en mannen even vaak. Dat is ook zo als ze in dezelfde levensfase zitten, met uitzondering van jonge alleenstaanden. Alleenstaande vrouwen tot 30 jaar zeggen vaker gelukkig te zijn dan hun mannelijke leeftijdsgenoten die alleen wonen.

Alleenstaande moeders en vaders zijn minder gelukkig dan moeders en vaders met een partner. Onder de gehuwde ouders zijn moeders en vaders met alleen meerderjarige kinderen iets minder vaak gelukkig dan ouders met een kind tot 18 jaar.

Geluk naar levensfase

< 30 jaar, geen thuiswonende kinderen

# alleenstaand lid van paar
vrouw 89 92
man 80 94

met thuiswonende kinderen

# lid van paar, jongste kind < 12 jaar lid van paar, jongste kind 12 tot 18 jaar lid van paar, jongste kind ≥ 18 jaar of ouder alleenstaande ouder
vrouw 94 93 90 76
man 94 93 90 73

30-65 jaar, geen thuiswonende kinderen

# aamenwonend alleenstaand
vrouw 91 76
man 92 75

≥ 65 jaar, geen thuiswonende kinderen

# samenwonend alleenstaand
vrouw 92 80
man 93 78

Bron:CBS (Sociale samenhang & Welzijn ’16/’17)

Literatuur

Berg, L. van den en R. van Gaalen (2018). Studeren en uit huis gaan nog haalbaar? Samenhang met sociaal leenstelsel en ouderlijke welvaart, 2007-2016. In: Statistische Trends, januari 2018. Geraadpleegd via https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2018/04/studeren-en-uit-huis-gaan-nog-haalbaar-.

CBS (2017). Laagopgeleide mannen vaker kinderloos. Geraadpleegd op 5 juni 2018 via https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2017/13/laagopgeleide-mannen-vaker-kinderloos.

CBS (2018a). Pensioenleeftijd werknemers met 5 maanden gestegen. Geraadpleegd op 1 juli 2018 via https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/25/pensioenleeftijd-werknemers-met-5-maanden-gestegen.

CBS (2018b). 3 op 10 vijftienjarigen wonen niet met beide ouders. Geraadpleegd op 5 juni 2018 via https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2018/18/3-op-10-vijftienjarigen-wonen-niet-met-beide-ouders.

CBS StatLine (2018a). Huwen en partnerschapsregistraties; kerncijfers. Geraadpleegd op 4 oktober 2018 via http://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/37772ned/table?dl=124D2.

CBS StatLine (2018b). Arbeidsdeelname; jongeren. Geraadpleegd op 4 oktober 2018 via http://opendata.cbs.nl/statline/#/CBS/nl/dataset/82915NED/table?dl=124D5.

Chkalova, K. en R. van Gaalen (2017). Flexibele arbeid voor relatie- en gezinsvorming. Eindrapportage. Den Haag/Heerlen/Bonaire: Centraal Bureau voor de Statistiek (https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2017/39/flexibele-arbeid-en-relatie-en-gezinsvorming).

Duin, C. van, L. Stoeldraijer, D. van Roon en C. Harmssen (2016). Huishoudensprognose 2015-2060: jongeren en ouderen langer thuis. In: Bevolkingstrends 2016|04. Den Haag/Heerlen: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Jong, A. de en C. Huisman (2018). Nationale en regionale huishoudensdynamiek. Te verschijnen in 2019.

Riele, S. te, en S. Loozen (2017). Vruchtbaarheid aan het begin van de 21e eeuw. In: Statistische Trends, december 2017. Geraadpleegd op 5 juni 2018 via https://www.cbs.nl/nl-nl/achtergrond/2017/51/vruchtbaarheid-aan-het-begin-van-de-21e-eeuw.

Deze kaart citeren

te Riele (CBS), S. en L. Moonen (CBS) (2018). En ze leefden nog lang en gelukkig...?. In: Emancipatiemonitor: 2018. Geraadpleegd op [datum vandaag] via https://digitaal.scp.nl/emancipatiemonitor2018/en-ze-leefden-nog-lang-en-gelukkig.

Informatie noten

In 2015 werd de basisbeurs omgezet in een lening. Hierdoor is het voor studenten duurder geworden om op kamers te gaan wonen. Bovendien maakt het voor de hoogte van het bedrag niet meer uit of studenten thuis- of uitwonend zijn. Het is daardoor minder van belang of ze zich wel of niet uitschrijven op het adres van hun ouders (Van den Berg en Van Gaalen 2018).

Gemiddelde leeftijd van personen tot 40 jaar bij de start van het samenwonen. Dit cijfer is bepaald met behulp van de CBS-Huishoudensstatistiek, waarbij extra contextuele informatie over gezamenlijke verhuizingen, gezamenlijke kinderen en het sluiten van een huwelijk of geregistreerd partnerschap is gebruikt om af te leiden of twee personen die een huishouden delen ook een relatie met elkaar hebben. Het jaar 2015 is het meest recente jaar waarvoor van personen tot 40 jaar met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld of de relatie die in dat jaar is gestart ook de eerste is. Personen van wie de relatie door een immigratie is gestart, zijn buiten beschouwing gelaten.

Chkalova en Van Gaalen (2017) laten zien dat vrouwen met een flexibele arbeidsrelatie later aan een relatie en aan kinderen beginnen dan vrouwen met een vaste baan, vooral als ze hoogopgeleid zijn. De Jong en Huisman (2018) bevestigen eerdere bevindingen dat eigenwoningbezit de overgang naar het ouderschap bespoedigt.

Het aantal vrouwen dat voor hun 30e moeder wordt, is sinds het begin van deze eeuw gedaald. Bij vrouwen jonger dan 25 jaar is er sprake van een gestage daling, bij vrouwen van 25 tot 30 jaar was er in de jaren voor de economische crisis sprake van een lichte toename. Vrouwen geven als reden om na hun 30e aan kinderen te beginnen het volgen van een opleiding en werkervaring opdoen. Zie ook Te Riele en Loozen (2017).

Voor cijfers over echtscheiding, zie StatLine. Kinderen van stellen die ongehuwd samenwonen, hebben een grotere kans om een scheiding van de ouders mee te maken. Zie CBS (2018b).

De cijfers hebben betrekking op de huishoudenssituatie volgens inschrijving in het bevolkingsregister. De ouder bij wie de kinderen zijn ingeschreven, wordt gezien als de moeder of vader in een eenoudergezin, de andere ouder is alleenstaand. Uit het onderzoek Nieuwe families in Nederland blijkt dat een kwart van de paren die in 2010 uit elkaar gingen voor co-ouderschap koos. Ook dan zijn de kinderen bij slechts een van de ouders ingeschreven.