Arbeidsmarkt in kaartWerkgevers - editie 2

2 / 14

Wie nemen werkgevers aan en wie verlaten de arbeidsorganisaties?

Auteur: Lisa Putman

Keuzes in het personeelsbeleid worden beïnvloed door de (economische) situatie van de arbeidsorganisatie (Child 1997; Kroon 2013). Met andere woorden: of werkgevers een inclusief personeelsbeleid voeren en aandacht besteden aan duurzame inzetbaarheid van hun medewerkers hangt af van hoe hun arbeidsorganisatie er voor staat, zoals zijn ze op zoek naar personeel of moeten ze daar juist afscheid van nemen?

In 2017/‘18 was het deel van de werknemers dat een arbeidsorganisatie nieuw binnenkwam (instroom) hoger dan het deel dat een arbeidsorganisatie verliet (uitstroom) (figuur 1). Dat kan erop wijzen dat conjunctuurgevoelige arbeidsorganisaties de economisch slechtere tijden achter zich hebben gelaten.

De situatie in 2015/‘16 vertoonde daar al tekenen van. Toen was het percentage dat gemiddeld bij een organisatie in dienst trad vergelijkbaar met het percentage dat vertrok. Deze algemene ontwikkelingen in personeelsstromen zien we terug in bijna alle sectoren. Vooral in de bouwnijverheid, handel, horeca en reparatie, overige dienstverlening en onderwijs nam in 2017/‘18 de instroom van nieuw personeel aanzienlijk toe. Het beeld dat het onderwijs in 2017/’18 een duidelijk hogere personeelsinstroom kent dan in de voorgaande jaren lijkt strijdig met de recente berichtgeving over personeelstekorten in het basisonderwijs. Dat hoeft niet zo te zijn. De in het Arbeidsvraagpanel opgenomen onderwijsinstellingen zijn niet alleen basisscholen, maar ook middelbare scholen en instellingen voor hoger onderwijs. De huidige personeelstekorten doen zich vooral voor in het basisonderwijs. De enige sector waar de instroom lager is dan de uitstroom is de transportsector. Een duidelijke verklaring voor het afwijkende beeld in deze sector hebben we niet. Door de moeite die de transportsector heeft met het aantrekken van nieuw personeel, (zie de kaart Knelpunten in het personeelsbeleid: wat zijn de ervaringen en verwachtingen?) kan de instroom in de sector zijn afgeremd. Een vergrijsd personeelsbestand is waarschijnlijk de oorzaak van de hoger dan gemiddelde uitstroom in de transportsector, zie ook figuur 3. De interne mobiliteit binnen arbeidsorganisaties (doorstroom) nam tussen 2015/‘16 en 2017/‘18 enigszins af. Vooral de sectoren zakelijke dienstverlening en zorg en welzijn lieten een daling in de doorstroom zien. In de laatste sector is, net als bij de overheid, de interne mobiliteit relatief hoog. Dat komt omdat in deze sectoren meer grote organisaties voorkomen die meer mogelijkheden bieden voor functiewisselingen.

Figuur 1Personeelsstromena,b

totaal
2007/'08 2009/'10 2011/'12 2013/'14 2015/’16 2017/’18
uitstroom 11,9 12 9,8 8,9 8,5 10,2
instroom 12,1 13,6 10,2 8,3 8,6 12,3
doorstroom 3,4 3 3,1 2,9 3,8 3,2
industrie en landbouw
2007/'08 2009/'10 2011/'12 2013/'14 2015/’16 2017/’18
uitstroom 8,7 8,7 7,8 7,2 6,4 6,7
instroom 8,2 8,4 6,5 5,6 6,7 8,2
doorstroom 2,9 3,1 2,7 3,3 3,5 3,9
bouwnijverheid
2007/'08 2009/'10 2011/'12 2013/'14 2015/’16 2017/’18
uitstroom 7,3 8,6 7,7 9,3 6,3 6,5
instroom 10,8 9,3 6 4,1 5,4 12,9
doorstroom 1,4 1,1 2 1,2 1,8 1,4
handel, horeca, reparatie
2007/'08 2009/'10 2011/'12 2013/'14 2015/’16 2017/’18
uitstroom 13,5 13,2 11,7 10,6 10,4 14,9
instroom 13,6 14,9 13 10,8 12,1 20,3
doorstroom 2 2,3 2 2,7 2,5 2,6
transport
2007/'08 2009/'10 2011/'12 2013/'14 2015/’16 2017/’18
uitstroom 12,5 11,2 9,4 7,1 8,1 7,1
instroom 16,2 13 10,1 8 8,3 6,7
doorstroom 2,4 2,7 2,6 1,4 3,1 3,4
zakelijke dienstverlening
2007/'08 2009/'10 2011/'12 2013/'14 2015/’16 2017/’18
uitstroom 13,4 18,3 10,1 10,1 9,2 12,7
instroom 11 19,8 11,3 10,4 10 14,9
doorstroom 3,6 4 3,8 4 5 3,2
zorg en welzijn
2007/'08 2009/'10 2011/'12 2013/'14 2015/’16 2017/’18
uitstroom 14,9 11,5 11,6 10,1 9,6 11
instroom 14,8 13,6 11,9 9,9 8,9 11
doorstroom 5,9 3,6 4,2 3,9 5,8 4,2
overige dienstverlening
2007/'08 2009/'10 2011/'12 2013/'14 2015/’16 2017/’18
uitstroom 11,2 10,8 8,4 12,4 8,1 9,7
instroom 10,8 14,4 9,1 11,9 7,5 13,6
doorstroom 3,5 2,3 2,5 2,9 2,4 2,9
overheid
2007/'08 2009/'10 2011/'12 2013/'14 2015/’16 2017/’18
uitstroom 8,2 7,4 6 4,4 5,2 6
instroom 8 10,5 6,4 3,4 4,3 7,3
doorstroom 5,9 4,4 5,3 4,2 5,4 5,1
onderwijs
2007/'08 2009/'10 2011/'12 2013/'14 2015/’16 2017/’18
uitstroom 7,1 8,4 7,4 6,9 6,1 8,5
instroom 10,1 10,5 8,6 7 6,3 13,1
doorstroom 2,3 2 2,2 1,9 1,4 1,9

aIn procenten (het aandeel werknemers dat de vestiging binnenkwam of verliet of binnen de vestiging een andere functie vervulde gedeeld door het totaal aantal werknemers).

b2007/‘08 – 2017/‘18. Het jaartal in de figuur geeft het meetmoment weer. Werkgevers kijken op dat moment terug naar de situatie in het voorgaande jaar. In de meting van zomer 2017 doen werkgevers dus verslag van het jaar 2016.

Bron:SCP (AVP ‘17/‘18)

Data:Download bronbestand (spreadsheet)

Mensen die in 2017/‘18 nieuw bij arbeidsorganisaties binnenkwamen, waren in meerderheid al actief op de arbeidsmarkt (figuur 2). Ze waren in loondienst bij een andere arbeidsorganisatie of ze werkten als zelfstandige zonder personeel (zzp’er). Dat geldt voor iets meer dan de helft van de instroom in arbeidsorganisaties. In veel mindere mate waren de nieuwkomers in de arbeidsorganisaties starters op de arbeidsmarkt (bijna 13%) of werklozen (bijna 12%). Mensen met een arbeidsbeperking kwamen slechts mondjesmaat organisaties binnen: nog geen 2% van de instroom komt voor rekening van arbeidsongeschikten of -gehandicapten. Dit algemene beeld is vrij uniform over de sectoren heen. Alleen de sector horeca, handel en reparatie wijkt af. Het nieuwe personeel in deze sector is voornamelijk scholier of student (44%).

Figuur 2Herkomst instroom personeela,b

vanuit ander werk werkloos schoolverlater arbeidsongeschikt/arbeidsgehandicapt herintreder scholier/student anders
totaal 50,4 11,6 12,7 1,6 2,6 15,8 5,3
industrie en landbouw 57,8 14,6 14 5,4 2 4,4 1,8
bouwnijverheid 64,1 16,3 9,9 1 0,7 4 4,1
handel, horeca, reparatie 33,2 10,2 6,8 0,3 2,8 43,5 3,2
transport 68,2 12,7 8,6 1,1 1,7 4,4 3,2
zakelijke dienstverlening 54,7 15,3 14,1 2 3,2 6,6 4,1
zorg en welzijn 51,5 8,5 18,1 1,7 3,3 9,7 7,2
overige dienstverlening 59,4 9,7 9,5 1,2 0,9 13 6,3
overheid 75 4,5 12,5 2 0,6 1,6 3,8
onderwijs 47 4,6 21,6 0,6 3,3 4,2 18,7

aWerkgevers splitsten de nieuw binnengekomen werknemers uit naar herkomstcategorie. Werkgevers kijken terug naar het voorgaande jaar. In de meting van zomer 2017 doen werkgevers dus verslag van het jaar 2016.

bDenk bij de categorie ‘anders’ aan: gepensioneerden, overplaatsingen vanuit een andere vestiging van de overkoepelende organisatie of oproepkrachten die weliswaar al in dienst zijn van de organisatie maar niet van de vestiging. Het kan ook gaan om scholieren of studenten die hun kennis en vaardigheden vooral in de praktijk moeten opdoen en een aanzienlijk deel van hun tijd besteden aan werk, zoals leraren in opleiding. Maar het kan ook zijn dat respondenten niet goed weten wat de herkomst van het nieuwe personeelslid is en daarom ‘anders’ aanvinken.

Bron:SCP (AVP ‘17/‘18)

Data:Download bronbestand (spreadsheet)

Mensen die de arbeidsorganisaties uitstroomden, deden dat in 2017/‘18 in grote mate vrijwillig (figuur 3). Zij vonden vooral elders een andere betrekking. Dat beeld laten alle sectoren zien. In de industrie en landbouw, transport, overige dienstverlening, overheid en onderwijs is (vervroegde) pensionering (of overlijden) ook een belangrijke reden van uitstroom. Rond een kwart tot een derde van het personeel verliet om die reden de arbeidsorganisatie. In de sector zorg en welzijn is het aflopen van een kortdurend contract een andere belangrijk reden om de organisatie te verlaten.

Figuur 3Reden uitstroom personeela,b,c

vrijwillig ontslag gedwongen ontslag kortdurend tijdelijk contract langdurend tijdelijk contract (vroeg) pensioen of overlijden ziekte of arbeidsongeschiktheid
totaal 47,4 11,6 15,3 12,7 11,1 1,8
industrie en landbouw 43,3 14,6 5,4 4,3 27,5 4,9
bouwnijverheid 57,5 8,3 8,9 4,1 17,4 3,7
handel, horeca, reparatie 54,7 8,3 11,1 14,6 9,2 2,2
transport 42,7 6,3 15,8 3,6 28,5 3,2
zakelijke dienstverlening 47,7 16,1 13 10,8 11 1,4
zorg en welzijn 43 7,2 24,4 12,5 9,6 3,4
overige dienstverlening 37,9 11,8 14,4 11 23 1,9
overheid 47,6 3,3 5,4 5,5 35,4 2,9
onderwijs 45,4 5,3 7,7 7,7 31,7 2,2

aWerkgevers splitsten de vertrokken werknemers uit naar vertrekredenen. Werkgevers kijken terug naar het voorgaande jaar. In de meting van zomer 2017 doen werkgevers dus verslag van het jaar 2016.

bEen kortdurend tijdelijk contract duurt maximaal 12 maanden.

cEen langdurend tijdelijk contract duurt langer dan 12 maanden

Bron:SCP (AVP ‘17/‘18)

Data:Download bronbestand (spreadsheet)

Literatuur

Child, John (1997). Strategic choice in the analysis of action, structure, organizations and environment: Retrospect and prospect. In: Organization studies, jg. 18, nr. 1, p. 43-76.

Kroon, B. (2013). Speelruimte voor goed werkgeverschap in kleinere organisaties. In: Tijdschrift voor HRM, jg. 2013, nr. 4, p. 45-69.

Deze kaart citeren

Putman, L. (2019). Wie nemen werkgevers aan en wie verlaten de arbeidsorganisaties?. In: Arbeidsmarkt in kaart: Werkgevers - editie 2. Geraadpleegd op [datum vandaag] via https://digitaal.scp.nl/arbeidsmarkt-in-kaart-werkgevers-editie-2/wie-nemen-werkgevers-aan-en-wie-verlaten-de-arbeidsorganisaties.

Informatie noten

De economisch betere tijden in 2017 en 2018 blijken niet alleen uit de toename van het aantal vacatures, maar ook uit de groei van het bruto binnenlands product en de afname van de werkloosheid.

Figuur AOntwikkeling economische situatie

2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018
groei bbp t.o.v. voorgaande jaar 2,1 0,1 0,3 2 2,2 3,5 3,7 1,7 -3,8 1,4 1,7 -1,1 -0,2 1,4 2,3 2,2 3,2
vacaturepercentage (3e kwartaal) 2,2 1,5 1,1 1,5 2 2,9 3 3 1,6 1,6 1,6 1,3 1,2 1,4 1,7 2,0 2,6 3,1
werkloosheidspercentage 4,8 5,7 5,9 5 4,2 3,7 4,4 5 5 5,8 7,3 7,4 6,9 6 4,9 3,8

Bron:CBS/Statline, SCP-bewerking

Het merendeel van de mensen die de organisatie verliet, werd vervangen. De reden van vertrek bepaalt niet of personeel al dan niet wordt vervangen. Zo worden werknemers die uitstromen na het aflopen van een tijdelijk contract langer dan een jaar ook vervangen. De werkzaamheden die zij verrichten zijn blijkbaar niet tijdelijk van aard. Het kan zijn dat werknemers met een tijdelijk contract zelf vertrekken. Of werkgevers gebruiken tijdelijke contracten als een verlengde proefperiode of willen geen vast contract aanbieden.

Figuur BHoeveel van de werknemers die uitstromen worden vervangen? a

ziekte of arbeidsongeschikt 77,9
vrijwillig ontslag 68,6
langdurend tijdelijk contract 67,1
kortdurend tijdelijk contract 66,2
(vroeg) pensioen of overlijden 59,1
gedwongen ontslag 16

aAandeel werknemers dat na uitstroom wordt vervangen, naar reden van uitstroom, in procenten.

Werkgevers gaven voor de laatste vertrokken werknemer aan waarom deze vertrokken is en of deze vervangen is. Werkgevers kijken terug naar het voorgaande jaar. In de meting van zomer 2017 doen werkgevers dus verslag van het jaar 2016.

Bron:SCP (AVP ‘17/‘18)

Data:Download bronbestand (spreadsheet)