Arbeidsmarkt in kaartWel- en niet-werkenden – editie 3

6 / 9

Neemt een leven lang ontwikkelen onder werkenden toe?

Auteur: Babette Pouwels

Door toenemende globalisering, robotisering en tal van technologische ontwikkelingen verandert de arbeidsmarkt, waardoor de benodigde kennis en vaardigheden snel veranderen. Tegelijkertijd stijgt de pensioenleeftijd en werken mensen langer door. De overheid wil daarom dat mensen zich blijven ontwikkelen, zodat ze goed inzetbaar blijven op de arbeidsmarkt en langer gezond kunnen doorwerken. Ondanks de aandacht en inspanningen van opeenvolgende kabinetten, is het aandeel werkenden dat scholing volgt de afgelopen jaren niet gegroeid. In 2019-2020 nam de scholingsdeelname zelfs iets af. Dit was waarschijnlijk een tijdelijk effect (SCP 2021) dat ligt aan de uitbraak van de coronapandemie begin 2020. De scholingsdeelname van 55-plussers en vrouwelijke zelfstandigen nam over een langere periode gezien wel toe, terwijl die bij hoger- en middelbaar opgeleiden en vrouwen in loondienst juist wat afnam.

Opleidingsniveau blijft nog altijd de belangrijkste voorspeller voor scholingsdeelname: lageropgeleiden nemen veel minder deel aan opleidingen of cursussen dan hogeropgeleiden. De kosten voor scholing werden meestal volledig door de werkgever betaald. Vooral werknemers met een sterke positie op de arbeidsmarkt (vast contract, voltijd dienstverband) volgden scholing op kosten van de werkgever. Ook dat is in de loop der tijd niet veranderd.

Overheid zet in op leven lang ontwikkelen

Het stimuleren van een leven lang leren en ontwikkelen (Leven Lang Ontwikkelen, LLO) van werkenden is al jaren speerpunt van het overheidsbeleid (TK 2020/2021; TK 2019/2020; TK 2017/2018; TK 2014/2015). De maatschappelijke noodzaak van leren en ontwikkelen van werkenden staat meer dan ooit in het teken van de dynamiek op de arbeidsmarkt en het inspelen op veranderingen in gevraagde kennis, vaardigheden en langer doorwerken (De Grip, 2021). Niet alleen voor werkenden, ook voor bedrijven vindt de overheid het belangrijk dat werknemers zich blijven scholen. Bedrijven zijn zo beter in staat schokken van de conjunctuur op te vangen en goed in te spelen op veranderende omstandigheden.

De overheid zet daarbij extra in op 4 groepen werkenden die het meest ondersteuning nodig hebben: lageropgeleiden, flexwerkers, ouderen en werknemers in kleinere bedrijven. Deze groepen volgen minder vaak scholing dan gemiddeld (zie ook Künn-Nelen et al. 2018), terwijl ze een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt hebben. Werknemers met een flexibele arbeidsrelatie en lageropgeleide werkenden hebben een verhoogd risico op werkloosheid. Oudere werkenden hebben dat niet, maar áls ze hun baan kwijt raken, blijven ze vaak langdurig werkloos.

Het overheidsbeleid voor LLO kent 4 pijlers (TK 2020/2021). Een eerste pijler is het stimuleren van de leer- en ontwikkelvraag van mensen en bevorderen dat mensen zelf regie nemen bij het leren en ontwikkelen in hun loopbaan (zie ook kaart Hebben werkenden behoefte aan scholing?).

Het stimuleren van bedrijven en sociale partners om (meer) te investeren in leren en ontwikkelen en (meer) in te zetten op informeel leren vormt de tweede pijler (zie ook kaart Neemt informeel leren toe?). De derde pijler gaat over het aanbod van formele scholing (opleidingen, cursussen, trainingen) voor volwassenen. De overheid wil dat aanbod flexibeler maken, zodat het beter aansluit op de vraag van werkenden, werkzoekenden en werkgevers.

De vierde pijler is gericht op het stimuleren van een ‘leercultuur’, waarin leren en ontwikkelen vanzelfsprekend zijn voor werkenden en werkgevers en geïntegreerd worden in het dagelijkse werk (zie eveneens kaart Neemt informeel leren toe?).

De overheid heeft leren en ontwikkelen van werkenden daarom met vele maatregelen, experimenten en subsidiemogelijkheden gesteund (TK 2020/2021). De overheid heeft de Sociaal-Economische Raad (SER), met daarin werkgevers, werknemers en onafhankelijke kroonleden, gevraagd een aanjaagfunctie te vervullen in het stimuleren van een leercultuur. In 2017 kwam de SER in dit kader met een actie-agenda Leven Lang Ontwikkelen (SER 2020; TK 2020/201).

Het huidige kabinet acht LLO extra urgent vanwege de volgende punten:

  • Coronacrisis: mede door de coronapandemie zijn banen verdwenen, maar is er ook nieuw werk ontstaan;
  • Tekort aan personeel in kraptesectoren als de zorg, het onderwijs, ICT en techniek: werkgevers hebben moeite om vacatures op te vullen;
  • Energietransitie: vraagt om meer technisch geschoold personeel voor nieuwe banen.

Het kabinet heeft daarom bovenop de bestaande middelen extra geld uitgetrokken voor scholing en omscholing, en de begeleiding van werk-naar-werk voor mensen die hun werk dreigen te verliezen of geen werk of opdrachten meer hebben. Zo kunnen mensen via de regeling NL leert door kosteloos ontwikkeladvies krijgen en zich kosteloos laten omscholen. Daarnaast kunnen werkgevers in sectoren waar een tekort aan gekwalificeerd personeel bestaat, gebruikmaken van subsidie om nieuwe werknemers om te scholen. Tevens is er subsidie beschikbaar voor werkgevers die leerwerkplekken aanbieden.

Wat verstaan we in deze kaart onder scholing?

Werkenden kunnen zich op verschillende manieren scholen en ontwikkelen. In deze kaart bekijken we formele scholing: het volgen van opleidingen of cursussen die van belang zijn voor het werk of beroep van werknemers. Het gaat dus niet om cursussen die mensen uit hobby of interesse hebben gevolgd. In Neemt informeel leren toe? kijken we naar informeel leren: de scholing die mensen opdoen doordat ze werken. Het gaat daarbij om learning on the job, leren van collega’s en elkaar feedback geven (CPB 2016).

Aandeel werkenden dat formele scholing volgt blijft stabiel, maar nam tijdens de pandemie af

Vergeleken met andere EU-landen ligt de scholingsdeelname in Nederland relatief hoog (Maslowski 2019). Figuur 1 geeft cijfers voor Nederland, uitgesplitst naar werkenden (dat zijn werknemers en zelfstandigen samen) en niet-werkenden. Van de werkenden had 38% in 2019-2020 scholing gevolgd. Dat was evenveel als in de 2 voorafgaande jaren, maar was wel wat lager dan tussen 2003 en 2004 en 2015 en 2016. Dat komt overeen met wat in ander onderzoek wordt gevonden: de Leven Lang Ontwikkelen Enquête van het ROA laat eveneens zien dat cursusdeelname van werkenden in 2020 lager was dan in 2017 (Künn-Nelen et al. 2022). Recent onderzoek onder mensen in loondienst toont aan dat de scholingsdeelname aan het begin van de coronacrisis in 2020 daalde (SCP 2021). Vermoedelijk was dat een tijdelijk effect dat toe te schrijven is aan de uitbraak van de coronapandemie. Als gevolg van de eerste lockdown (in voorjaar 2020) konden lopende opleidingen niet meer op locatie gegeven worden. De lessen waren op dat moment nog niet vertaald naar online varianten. Toen het digitaal onderwijs eenmaal was opgezet, nam de scholingsdeelname weer toe.

Werkenden schoolden zich vaker dan werkzoekenden, en die deden dat weer vaker dan niet-werkenden die geen werk zochten. Onder werkzoekenden zien we wél een toename in scholingsdeelname in 2019-2020. Het aandeel werkzoekenden dat scholing volgde, steeg van 23% in 2017-2018 tot 37% in 2019-2020. De toename in 2019-2020 heeft mogelijk te maken met de veranderde samenstelling van de groep werkzoekenden. Werkzoekenden uit 2019-2020 waren gemiddeld minder lang werkloos dan die uit eerdere jaren. Een deel van hen zal nog scholing hebben gevolgd in hun positie als werknemer.

Figuur 1Scholingsdeelname

aPersonen van 25-65 jaar in peiljaar. Scholieren en studenten met een bijbaan zijn niet meegerekend in de cijfers, evenals de 25-minners, om mensen die de voorafgaande 2 jaren nog met hun opleiding bezig waren zoveel mogelijk uit te sluiten.

Bron:SCP (AAP’04-’20)

Data:Download bronbestand (spreadsheet)

Verschillen tussen opleidingsniveaus blijven groot

Lageropgeleide werkenden namen minder vaak deel aan scholingsactiviteiten dan hogeropgeleiden (figuur 2). In 2019-2020 had 24% van de lageropgeleiden een opleiding of cursus gevolgd, tegen 32% van de middelbaaropgeleiden en 46% van de hogeropgeleiden. De scholingsdeelname van lageropgeleiden is door de tijd heen niet veranderd, alleen in 2003-2004 was deze wel wat hoger (32%). Bij hogeropgeleiden en middelbaaropgeleiden nam de scholingsdeelname in de loop der tijd gezien iets af.

De hogere scholingsdeelname van hogeropgeleiden is deels te verklaren doordat zij vaker zelf het initiatief nemen tot scholing (Künn-Nelen et al. 2018). Lageropgeleiden zien het nut van om- en bijscholing minder in en laten zich meer afschrikken door de kosten van scholing dan hogeropgeleiden (Cabus 2019). Mogelijk zijn ook werkgevers minder geneigd om te investeren in scholing van laagopgeleiden; diverse onderzoeken daarover spreken elkaar tegen (Desjardins 2017; Künn-Nelen et al. 2018). Deze ongelijke toegang tot een leven lang ontwikkelen tussen hoog- en laagopgeleiden vermindert mogelijk de kansen van laagopgeleiden op de arbeidsmarkt. De overheid zou dan ook graag zien dat lageropgeleiden vaker deelnemen aan scholing (TK 2020/2021; TK 2017/2018). Vooralsnog is dat niet het geval.

Scholingsdeelname 55-plussers groeide over langere periode gezien; toename is laatste jaren gestopt

Oudere werkenden (55-plussers) volgden minder vaak scholing dan jongere werkenden, al werd dit verschil de afgelopen jaren wel wat kleiner (figuur 2). Dit kwam doordat jongeren iets minder vaak en ouderen juist iets vaker een opleiding of cursus gingen volgen. Mogelijk speelde de verhoging van de gemiddelde pensioenleeftijd hierbij mee. Oudere werkenden hebben daardoor meer werkzame jaren voor de boeg dan in 2004. Dat maakt scholing voor henzelf én (als ze in loondienst werken) voor hun werkgever meer lonend. De scholingsdeelname van ouderen steeg vanaf 2007-2008, toen de leeftijd waarop mensen stopten met werken begon te stijgen. De laatste jaren groeit de scholingsdeelname van 55-plussers niet meer.

Figuur 2Scholingsdeelname van werkenden

aPersonen van 25-65 jaar in peiljaar. Scholieren en studenten met een bijbaan zijn niet meegerekend in de cijfers, evenals de 25-minners, om ook mensen die de voorafgaande 2 jaren nog met hun opleiding bezig waren zoveel mogelijk uit te sluiten.

Bron:SCP (AAP’04-’20)

Data:Download bronbestand (spreadsheet)

Scholingsdeelname werknemers in loondienst afgenomen

Mannen in loondienst zijn in 2019-2020 minder vaak een opleiding of cursus gaan volgen, mogelijk onder invloed van de coronapandemie (figuur 2). De scholingsdeelname van vrouwen in loondienst nam al langer af. Waarom de scholingsdeelname van vrouwen al langer krimpt, is niet duidelijk. De scholingsafname van vrouwen in loondienst is opvallend, omdat vrouwen relatief vaak in sectoren werken waarin vaker geschoold wordt, zoals de zorg.

Vrouwen die als zelfstandige werken, zijn in de afgelopen jaren wel meer scholing gaan volgen. Dit hangt samen met een veranderde samenstelling van de groep vrouwelijke zelfstandigen. Vergeleken met 2003-2004 waren vrouwelijke zelfstandigen in 2019-2020 vaker werkzaam in de zakelijke dienstverlening (een stijging van 15% naar 26%) en de zorg en welzijn (van 18% naar 27%); dit zijn sectoren waar relatief veel wordt geschoold. Ook het opleidingsniveau van vrouwelijke zelfstandigen is gestegen (38% was hoogopgeleid in 2003-2004, in 2019-2020 was dat toegenomen tot 58%). Zoals we eerder al zagen, hangt opleidingsniveau sterk samen met een hogere scholingsdeelname.

Scholing meest gangbaar in onderwijs, overheid en zorg en welzijn

In sommige sectoren is het gebruikelijker dat werknemers een opleiding of cursus volgen dan andere. Van de mensen die werkzaam zijn in het onderwijs, in de sector zorg en welzijn of bij de overheid, had in 2019-2020 ongeveer de helft een cursus of opleiding gevolgd. In de handel/horeca/reparatie deed 21% van de werknemers dat. In de meeste sectoren is de scholingsdeelname de afgelopen 10 jaar min of meer gelijk gebleven. Uitzondering is de industrie en landbouw, daar nam het aandeel werknemers dat scholing volgde in de afgelopen jaren af (zie bijlage B).

Het verschil in scholingsniveau tussen de sectoren hangt onder andere samen met het gemiddelde opleidingsniveau van werkenden: in sectoren waar het gemiddelde opleidingsniveau hoog is, is ook het scholingsaandeel hoog.

Figuur 3Scholingsdeelname van werkenden naar bedrijfssector

aPersonen van 25-65 jaar in 2020. Scholieren en studenten met een bijbaan zijn niet meegerekend in de cijfers, evenals de 25-minners, om ook mensen die de voorafgaande 2 jaren nog met hun opleiding bezig waren zoveel mogelijk uit te sluiten.

Bron:SCP (AAP’20)

Data:Download bronbestand (spreadsheet)

In sommige sectoren volgen vrouwen minder vaak scholing dan mannen

Vrouwen zijn veel vaker dan mannen werkzaam in het onderwijs en in de sector zorg en welzijn, waar de scholingsdeelname relatief hoog is. Toch volgt de groep vrouwen als geheel gemiddeld niet meer scholing dan mannen. Dat komt doordat zij ook binnen sectoren waar veel geschoold wordt minder vaak dan hun mannelijke collega’s een opleiding of cursussen volgden. Zo volgde in de sector zorg en welzijn 57% van de mannen scholing in 2017-2020, tegenover 45% van de vrouwen. Als we rekening houden met de (ongelijke) verdeling van vrouwen en mannen over de sectoren, hun leeftijd, opleidingsniveau en arbeidsduur, zien we dat vrouwen minder vaak een cursus of opleiding hebben gevolgd dan mannen. Een mogelijke verklaring is dat scholingskosten van vrouwen minder vaak vergoed worden door hun werkgever dan die van mannen, bijvoorbeeld doordat zij minder vaak een vast contract hebben en vaker in deeltijd werken.

Werknemers in grote vestigingen volgden vaker scholing

Werknemers in grotere bedrijfsvestigingen volgden vaker scholing dan werkenden in kleinere bedrijven of vestigingen. Dit hangt samen met opleidingsniveau: in grotere bedrijven werken relatief meer hogeropgeleiden dan in kleinere bedrijven. Mogelijk heeft dat ook te maken met de kosten. Grote bedrijven maken vaker gebruik van subsidieregelingen voor scholing (zie ook Arbeidsmarkt in kaart, Werkgevers – editie 2). Werknemers in kleine vestigingen scholen vaker op eigen kosten (21%, tegenover minder dan 10% in de grotere vestigingen). Daarnaast hangt het samen met de sector. Kleine vestigingen vinden we vooral in de bouw, de handel/horeca en reparatie en de overige dienstverlening. Dit zijn sectoren waar de scholingsgraad relatief laag is. Grote vestigingen vinden we relatief vaak bij de overheid en in de sector zorg en welzijn, waar de scholingsgraad relatief hoog is.

Figuur 4Scholingsdeelname van werknemers in loondienst naar grootte bedrijfsvestiging

aPersonen van 25-65 jaar in peiljaar. Scholieren en studenten met een bijbaan zijn niet meegerekend in de cijfers, evenals de 25-minners, om ook mensen die de voorafgaande 2 jaren nog met hun opleiding bezig waren zoveel mogelijk uit te sluiten.

Bron:SCP (AAP’20)

Data:Download bronbestand (spreadsheet)

Scholing meestal volledig op kosten van werkgever

Werkgevers blijken een hoge prioriteit te geven aan de scholing van hun werknemers (zie ook Arbeidsmarkt in kaart, Werkgevers – editie 2), en vaak (een deel van) de kosten hiervan voor hun rekening te nemen. Van de werknemers in loondienst die in 2019-2020 een opleiding of cursus hebben gevolgd, nam hun werkgever in 4 van de 5 gevallen de volledige kosten daarvan voor hun rekening, even vaak als in voorgaande jaren. Vooral werknemers in vaste dienst en voltijdswerkenden hoefden vaak geen eigen geld in hun scholing te steken (zie bijlage B). Dat is niet veranderd door de tijd heen. Mensen werkzaam in kleine vestigingen (1-20 medewerkers) staken daar relatief vaak wel eigen geld in. Overigens bleken de kosten van een opleiding niet de belangrijkste reden voor werknemers om af te zien van een opleiding. Veel vaker deden ze dat omdat ze daar vanwege drukte thuis of op het werk geen tijd voor hadden (Maslowski 2019). In 2019-2020 bleek dat 43% van de werknemers de opleiding of cursus geheel in werktijd had gevolgd, en 31% deels. 26% deed de opleiding of cursus volledig in eigen tijd.

Literatuur

Cabus, S. (2019). Toegang tot leven lang leren versnelt economische groei. In: ESB, jg. 104, nr. 4770, p. 130-133.

Desjardins, R. (2017). Political economy of adult learning systems; comparative study of strategies, policies and constraints. New York: Bloomsbury Publishing.

Künn-Nelen, A., D. Poulissen, P. van Eldert, D. Fouarge en A. de Grip (2018). Leren onder werkenden met een kwetsbare positie op de arbeidsmarkt. Maastricht: Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) (ROA Rapport 2018/5).

Künn-Nelen, A., H. Abbink, S. Baumann, S. van Elferen en D. Fouarge (2022). Leven lang ontwikkelen in Nederland. Maastricht: Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) (ROA Rapport 2022/1).

Maslowski, R., m.m.v. R. Vogels (2019). Grenzen aan een leven lang leren. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

SCP (2021). Een jaar met corona. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau.

SER (2020). Voortgangsrapportage SER Actie-agenda Leven Lang Ontwikkelen. Den Haag: Sociaal-Economische Raad.

TK (2014/2015). Leven lang leren.Kamerbrief van de ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Tweede Kamer, vergaderjaar 2014/2014, 30012, nr. 41.

TK (2017/2018). Vertrouwen in de toekomst. Regeerakkoord 2017-2021 VVD, CDA, D66 en ChristenUnie. 10 oktober 2017.

TK (2019/2020). Leven lang leren.Kamerbrief van de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en voor Primair en Voortgezet Onderwijs. Tweede Kamer, vergaderjaar 2019/2020, 30012, nr. 121.

TK (2020/2021). Leven lang leren.Kamerbrief van de ministers van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Tweede Kamer, vergaderjaar 2020/2021, 30012, nr. 135.

Deze kaart citeren

Pouwels, B. (2022). Neemt een leven lang ontwikkelen onder werkenden toe?. In: Arbeidsmarkt in kaart: Wel- en niet-werkenden – editie 3. Geraadpleegd op [datum vandaag] via https://digitaal.scp.nl/arbeidsmarkt-in-kaart-wel-en-niet-werkenden-editie-3/neemt-een-leven-lang-ontwikkelen-onder-werkenden-toe.

Informatie noten

Voorbeelden van beleidsmaatregelen LLO zijn: scholingskosten aftrekbaar van de inkomstenbelasting (tot 2020), STAP-regeling, waarmee mensen met een connectie tot de arbeidsmarkt subsidie voor scholing kunnen aanvragen (vanaf 2022), Levenlanglerenkrediet voor mensen die geen recht meer hebben op studiefinanciering, tijdelijk scholingsbudget voor WW’ers (2018-2021), pilots voor leerwerkloketten voor ondersteuning bij leer- en ontwikkelvragen (2019-2021), SLIM, een subsidieregeling voor leren en ontwikkelen in het mkb (vanaf 2020) en MKB!dee, om de leercultuur in het mkb te stimuleren.

Deze afname blijft significant als er gecorrigeerd wordt voor dienstverband (vaker tijdelijk), sekse, opleidingsniveau, omvang arbeidsduur, sector en vestigingsgrootte. Het is onduidelijk wat de afname van scholing bij de jongeren verklaart.

In 2020 werkte 37% van de vrouwen en 10% van de mannen in 1 van deze 2 sectoren (CBS StatLine).

2 meetjaren samengenomen vanwege kleine aantallen.